Centrale Raad van Beroep, 09-06-2015 / 14-2584 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1789

Inhoudsindicatie
1) Afwijzing aanvraag om bijstand. Gezamenlijke huishouding met broer. 2) Verhoging bijstand met een toeslag van 10% van het netto minimumloon op de grond dat appellant de woonlasten kan delen met een ander. Niet kan worden gezegd dat het college met de wijze waarop in artikel 3, eerste lid en onder b, van de Verordening uitvoering is gegeven aan het bepaalde in artikel 25 van de WWB, niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever heeft gehandeld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-09
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
14-2584 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2584 WWB, 13/2585 WWB

Datum uitspraak: 9 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 maart 2013, 12/3821 en 12/4083 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Dienst Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur sinds 1 mei 2013 de bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voordien werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van Houten. In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur mede verstaan het college van burgemeester en wethouders van Houten.

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.M. Janssen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 29 februari 2012 gemeld bij het UWV Werkbedrijf om bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande aan te vragen. Het daartoe strekkende aanvraagformulier heeft appellant op 6 maart 2012 ondertekend. Als gewenste ingangsdatum heeft appellant daarbij opgegeven 1 maart 2012.


1.2.

Bij besluit van 8 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 september 2012 (bestreden besluit 1), heeft het dagelijks bestuur aan appellant met ingang van 19 april 2012 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag afgewezen voor zover deze ziet op de periode van 1 maart 2012 tot 19 april 2012 op de grond dat appellant in die periode een gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer

[naam broer](H). Het dagelijks bestuur heeft voorts geen aanleiding gezien de bijstand met een toeslag te verhogen op de grond dat appellant geen aantoonbare woonlasten had.


1.3.

Bij besluit van 30 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 oktober 2012 (bestreden besluit 2), heeft het dagelijks bestuur de bijstand alsnog verhoogd met een toeslag van 10% van het netto minimumloon op de grond dat appellant de woonlasten kan delen met een ander.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Bestreden besluit 1


4.1.

Appellant bestrijdt dat hij in de periode van 1 maart 2012 tot 19 april 2012 (periode in geding) een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met H.


4.2.

Volgens artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.3.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.


4.4.

Niet in geschil is dat appellant en H in de periode in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, zodat aan het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is voldaan.


4.5.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.


4.5.1.

Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.


4.5.2.

De rechtbank heeft op grond van wat appellant zelf heeft verklaard terecht het standpunt van het dagelijks bestuur onderschreven dat tussen appellant en H sprake was van het verlenen van wederzijdse zorg. Zo heeft appellant tijdens het huisbezoek op 20 maart 2012 onder meer verklaard dat H hem geld geeft voor het doen van boodschappen, dat H de was doet omdat appellant niet weet hoe de wasmachine werkt en dat appellant gebruik mag maken van de spullen van H in de keuken, zoals de pannen en het drinken in de koelkast. Voorts heeft appellant tijdens een gesprek op 10 april 2012 onder meer verklaard dat hij dan wel H een maaltijd kookt die gezamenlijk wordt gegeten, dat appellant met een plumeau stoft, dat hij de helft van de kamer stofzuigt, dat appellant doet wat hij kan om te helpen in het huishouden en dat de overige huishoudelijke taken door H worden gedaan. De genoemde feiten en omstandigheden wijzen uit dat appellant en H ten tijde van belang er in voldoende mate blijk van gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.6.

Nu in de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding, was appellant geen zelfstandig subject van bijstand. Het dagelijks bestuur heeft daarom zijn aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande met betrekking tot die periode terecht afgewezen. Dat appellant zich gedwongen voelde om zich tot H te wenden omdat een beslissing op zijn aanvraag uitbleef en pas in april 2012 een voorschot is toegekend, doet er, gelet op wat in 4.2 is overwogen, niet aan af dat op grond van genoemde feiten en omstandigheden sprake was van een gezamenlijke huishouding.


4.7.

Het beroep op artikel 16 van de WWB behoeft, anders dan de rechtbank heeft gedaan, geen bespreking. Artikel 16, eerste lid, van de WWB voorziet in de mogelijkheid om bijstand te verlenen aan personen die niet behoren tot de kring van rechthebbenden als omschreven in paragraaf 2.2 van de WWB, indien daartoe zeer dringende redenen noodzaken. In het hier voorliggende geval heeft het dagelijks bestuur de aanvraag om bijstand over de periode in geding afgewezen om andere redenen, namelijk vanwege het gegeven dat appellant geen zelfstandig subject van bijstand is. Daarop ziet de uitzonderingsbepaling van artikel 16,

eerste lid, van de WWB niet.


Bestreden besluit 2


4.8.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WWB verhoogt het college de norm voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.


4.9.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 30, eerste lid, van de WWB stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.


4.10.

Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Toeslagenverordening WWB 2012 gemeente Houten (Verordening) bedraagt de toeslag, zoals bedoeld in artikel 25 van de WWB, 10% van de gezinsnorm voor een belanghebbende die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.


4.11.

De beroepsgrond dat artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening in strijd is met artikel 25 van de WWB omdat hierbij ten onrechte het hoofdverblijf als doorslaggevend criterium wordt gebruikt, slaagt niet. Hierbij wordt gewezen op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 25 van de WWB:


“De hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten wordt mede bepaald door de mate waarin de belanghebbende de kosten met een ander kan delen. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende betekenis. Dit laat onverlet dat ook alle andere uitgaven in aanmerking dienen te worden genomen waarbij partners schaalvoordeel hebben door het gezamenlijk opbrengen van alle kosten van huisvesting en huishouding. Bij de relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden geconfronteerd kan met name worden gedacht aan duurzame gebruiksgoederen, zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan vaste lasten, zoals abonnementen en diverse andere kosten. Bij de beoordeling of de belanghebbende inderdaad hogere bestaanskosten heeft is in voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk deze kosten met een ander deelt. Beoordeeld dient te worden of het redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. Daartoe wordt in dit artikel gesproken van het ‘kunnen delen’ van de kosten” (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 52).


Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het college met de wijze waarop in artikel 3, eerste lid en onder b, van de Verordening uitvoering is gegeven aan het bepaalde in artikel 25 van de WWB, niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever heeft gehandeld.


4.12.

Nu appellant een woning deelt met H, heeft het dagelijks bestuur de bijstand terecht overeenkomstig artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening met een toeslag van 10% van de gezinsnorm verhoogd. Gelet op de hiervoor aangehaalde passage is daarbij, anders dan appellant kennelijk meent, niet van belang of hij feitelijk de kosten heeft gedeeld, maar uitsluitend of hij deze kosten zou kunnen delen met een medebewoner. Dat is hier het geval.


4.13.

De beroepsgrond dat de Verordening toeslagen en verlagingen Wwb 2004 van de gemeente Utrecht in een vergelijkbaar geval voorziet in een hogere toeslag en dat het dagelijks bestuur heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, slaagt niet. De WWB voorziet in gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven.


4.14.

Gelet op 4.1 tot en met 4.13 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook, met verbetering van gronden, te worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is. Het verzoek daartoe van appellant wordt afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.C.R. Schut en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) C.M. Fleuren



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.



HD