Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 14-6046 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1790

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Appellante is haar inlichtingenverplichting onvoldoende nagekomen met betrekking tot de drie percelen bouwgrond in Turkije. Als gevolg hiervan is het recht op bijstand niet vast te stellen. . Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Het college heeft, door het risicoprofiel toe te passen en op grond daarvan onderzoek in het buitenland te doen, niet gehandeld in strijd met het verbod van ongerechtvaardigde discriminatie. Het college heeft daarom de gegevens voortkomend uit de pilot Onderzoek naar Vermogen in het Buitenland ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
14-6046 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/6046 WWB

Datum uitspraak: 2 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2014, 13/4063 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Appellante is, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het college, daartoe eveneens opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Mersel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 12 april 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand.


1.2.

In het kader van de Pilot Procesgestuurd Onderzoek naar Vermogen in het Buitenland (pilot) heeft het college een risicoprofiel opgesteld voor onderzoek. Geselecteerd zijn personen die (1) op 1 januari 2011 ouder dan 50 jaar zijn, en (2) een lopende bijstandsuitkering hebben, en (3) uit een ander land afkomstig zijn dan uit Nederland, en

(4) een vakantiemelding hebben van 30 dagen of langer in één of meer kalenderjaren vanaf

1 januari 2009. Appellante paste in dit profiel.


1.3.

Op 10 oktober 2011 heeft het college appellante per brief meegedeeld dat het een onderzoek gaat doen naar vermogen in het buitenland. Daarbij is uitgelegd wat bedoeld wordt met vermogen in het buitenland. Appellante heeft twee weken de tijd gekregen eventueel vermogen in het buitenland te melden. Indien zij dit zou doen, zou geen boete worden opgelegd, maar wel het recht op bijstand worden onderzocht en eventueel teveel ontvangen bijstand worden teruggevorderd. Als vermogen in het buitenland niet wordt gemeld en toch aanwezig blijkt, wordt wel een boete opgelegd, en eventueel aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie. Appellante heeft niet op deze brief gereageerd.


1.4.

In opdracht van het college en met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau) een vermogensonderzoek in Turkije uitgevoerd. Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in een rapport van 14 augustus 2012. De conclusie van het onderzoek is dat appellante onder meer drie percelen bouwgrond in [plaats] in Turkije in eigendom heeft gehad met een waarde van in totaal € 40.475,-. Deze percelen heeft zij op 21 september 2007 verworven en op 21 oktober 2011 verkocht.


1.5.

Bij brief van 11 oktober 2012 heeft het college appellante gevraagd voor 8 november 2012 een aantal gegevens te verstrekken over de drie percelen bouwgrond, zoals aankoopakten, bewijs van verkoop van de drie percelen en betaalbewijzen van de verkooptransacties van de drie percelen. Op 5 november 2012 heeft appellante gegevens verstrekt. Bij besluit van 27 november 2012 heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van 8 november 2012 opgeschort (opschortingsbesluit) en appellante een hersteltermijn tot 11 december 2012 gegeven om alsnog de ontbrekende betaalbewijzen van de verkooptransacties van de drie percelen te overleggen, dan wel gegevens waaruit blijkt wat zij heeft ontvangen van de verkoop van de stukken grond. Op 3 december 2012 heeft appellante aanvullende gegevens verstrekt. Vervolgens heeft een sociaal rechercheur, werkzaam bij de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Schiedam, appellante uitgenodigd voor een gesprek op 12 december 2012. Daarbij heeft hij appellante verzocht onder meer de in het besluit van 27 november 2012 vermelde gegevens mee te nemen. Appellante is op 12 december 2012 verschenen. De gevraagde gegevens heeft zij niet overgelegd.


1.6.

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 8 november 2012 ingetrokken op de grond dat appellante het in het opschortingsbesluit geconstateerde verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld.


1.7.

Bij besluit van 12 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 januari 2013 ongegrond verklaard met aanpassing van de grondslag in die zin dat het recht op bijstand met ingang van

1 december 2012 is ingetrokken op de grond dat appellante haar inlichtingenverplichting onvoldoende is nagekomen met betrekking tot de drie percelen bouwgrond in Turkije. Als gevolg hiervan is het recht op bijstand niet vast te stellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen appellante, gelet op de overgelegde eigendomsaktes (‘tapu senedi’s’) moet worden geacht eigenaar te zijn geworden van de drie percelen, dat de percelen een bestanddeel vormen van haar vermogen en dat, gelet op de getaxeerde waarde van de percelen, ervan moet worden uitgegaan dat dit vermogen gedurende de te beoordelen periode, die loopt van 1 december 2012 tot en met

12 juni 2013, aan bijstandsverlening in de weg heeft gestaan, zodat het college, anders dan het heeft gedaan, het recht bijstand had kunnen en moeten vaststellen.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellante heeft allereerst aangevoerd dat het college de gegevens voortkomend uit de pilot niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De pilot levert een verboden discriminatie op, zodat het bestreden besluit berust op onrechtmatig verkregen bewijs. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad heeft in zijn uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1229, in een soortgelijk geschil geoordeeld dat het college, door het risicoprofiel als vermeld in 1.2 toe te passen en op grond daarvan onderzoek in het buitenland te doen, niet heeft gehandeld in strijd met het verbod van ongerechtvaardigde discriminatie. De Raad ziet geen grond om in dit geschil tot een ander oordeel te komen. Het college heeft daarom de gegevens voortkomend uit de pilot ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit.


4.2.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat de overgelegde eigendomsaktes zijn voorzien van het bedrag waarvoor de percelen grond zijn verkocht. Indien wordt aangenomen dat een dergelijke akte een van overheidswege afgegeven officieel document is, dan ligt het tevens op de weg van het college om twijfel te zaaien over de aldaar opgenomen bedragen. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat de percelen voor een beduidend lager bedrag zijn gekocht. Appellante stelt zich op het standpunt dat het op de weg van het college ligt om in dit geval te duiden dat bij de aankoop van de percelen de vermogensgrens is overschreden. Het overleggen van het in opdracht van het Bureau opgesteld taxatierapport is onvoldoende om de in de overgelegde eigendomsaktes opgenomen verkoopbedragen te weerleggen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Daartoe wordt het volgende overwogen.


4.2.1.

Appellante bestrijdt niet dat zij van 21 september 2007 tot 21 oktober 2011 heeft beschikt over vermogen in de vorm van drie percelen bouwgrond en dat zij hiervan geen melding heeft gedaan aan het college. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Het standpunt van appellante dat het aan het college is om de juistheid van de verkoopbedragen die zijn opgenomen in de door haar overgelegde eigendomsaktes, in twijfel te trekken, is daarom onjuist. De vraag die voorligt is of appellante met het overleggen van die aktes aannemelijk heeft gemaakt dat van de daarin vermelde waarde van de drie percelen moet worden uitgegaan en dat het college dus voor het vaststellen van de waarde van de drie percelen niet heeft mogen afgaan op het in 4.2 vermelde taxatierapport.


4.2.2.

Appellante is in deze bewijslast niet geslaagd. Anders dan appellante meent, volgt uit het feit dat - zoals de Raad in zijn uitspraak van 2 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2944, heeft geoordeeld - naar Turks recht de verkrijger na een eigendomsovergang met een ‘tapu senedi’ bewijst op een bepaalde datum eigenaar van een bepaalde onroerende zaak te zijn geworden, niet dat daarmee ook zonder meer van de juistheid van het in die akte vermelde verkoopbedrag moet worden uitgegaan. Aan de enkele vermelding van het verkoopbedrag in de ‘tapu senedi’ komt niet dezelfde bewijskracht toe als aan een taxatierapport zoals door het college is overgelegd. Uit voormelde uitspraak blijkt immers dat een ‘tapu senedi’ slechts een uittreksel is uit het eigendomsregister van onroerende zaken (eigendomsregister) waarin wordt overgenomen wat met betrekking tot de eigendomssituatie van de betreffende onroerende zaak in het eigendomsregister staat geregistreerd. De betreffende gegevens worden aangedragen door de vervreemder en de verkrijger van de onroerende zaak. De stelling dat, voor zover in een dergelijke eigendomsakte een verkoopbedrag staat vermeld, de bewaarder van het eigendomsregister het werkelijk door de koper aan verkoper betaalde bedrag op juistheid heeft geverifieerd, is met het voorgaande in strijd en is overigens niet onderbouwd, zodat die stelling niet gevolgd wordt.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) R.G. van den Berg




HD