Centrale Raad van Beroep, 28-05-2015 / 13-4096 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1792

Inhoudsindicatie
Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van de dierenarts. De kosten waarop de aanvraag ziet, zijn vóór de aanvraag gemaakt en voldaan. Appellante heeft een reële schuld in dit verband niet aannemelijk gemaakt. Geen sprake van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-28
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
13-4096 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4096 WWB

Datum uitspraak: 28 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juni 2013, 12/5152 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015. Appellante is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Op 16 mei 2012 heeft appellante bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor onder meer de kosten van de dierenarts.


1.2.

Bij besluit van 22 mei 2012 heeft het college de aanvraag, voor zover die ziet op de kosten van de dierenarts, afgewezen omdat die behoren tot de algemene kosten van bestaan die uit het reguliere inkomen moeten worden betaald.


1.3.

Bij besluit van 6 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 mei 2012 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd zich niet meer voordoen omdat deze kosten ten tijde van de aanvraag al zijn voldaan.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd, omdat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het college getoetst heeft aan zijn buitenwettelijk begunstigend beleid. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de besluitvorming van het college in overeenstemming is met dat beleid.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het college haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. De kosten waren noodzakelijk en konden niet vooraf worden ingediend omdat haar kat plotseling ziek werd en acuut behandeld moest worden. Appellante heeft schulden moeten maken om de kosten te kunnen voldoen. Ook heeft appellante betoogd dat haar is toegezegd dat zij de gemaakte kosten vergoed zou krijgen, maar dat het college haar aanvraag steeds op een andere grond heeft afgewezen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.


4.2.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB - voor zover van belang - heeft, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.


4.3.

De Raad stelt vast dat de kosten waarop de aanvraag ziet, vóór de aanvraag zijn gemaakt en voldaan. Appellante heeft een reële schuld in dit verband niet aannemelijk gemaakt. Uit de door appellante in hoger beroep ingebrachte verklaring van [X.] van 1 juli 2013, blijkt dat hij een bedrag van € 500,- aan appellante heeft geleend voor medische kosten van haar kat. Aan deze verklaring komt echter niet die betekenis toe die appellante daaraan gehecht wil zien, omdat die verklaring achteraf is opgesteld en in de verklaring een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling ontbreekt. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4669) heeft appellante, gelet op artikel 35, eerste lid, in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB, reeds hierom geen recht op bijzondere bijstand voor deze kosten.


4.4.

Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Volgens eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 januari 2010:ECLI:NL:CRVB:2010:BK9419) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slagen als door een beslissingsbevoegd orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van een dergelijke toezegging is hier niet gebleken.


4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2015.




(getekend) A.M. Overbeeke




(getekend) M.S. Boomhouwer


HD