Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 14-5207 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1795

Inhoudsindicatie
Verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad niet-ontvankelijk verklaard. Er is sprake van een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
14-5207 WWB
Procedure
Herziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5207 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2009, 07/3444 WWB

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij brief van 21 juli 2014 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1509.

Op 22 september 2014 heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat te Nijmegen, zich als gemachtigde van verzoeker gesteld.

Het college heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 21 april 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Het verzoek om herziening heeft betrekking op een uitspraak van vóór 1 januari 2013. Dit betekent dat, gelet op artikel 1 van Deel C van de Wet aanpassing bestuursrecht (overgangsrecht), artikel 8:88 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nog van toepassing is.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.


2. De uitspraak waarvan verzoeker herziening vraagt, heeft betrekking op het na bezwaar gehandhaafde besluit van 15 augustus 2006 waarbij de bijstand van verzoeker met ingang van 1 maart 2006 is beëindigd op grond van schending van de inlichtingenverplichting waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Voorts is de bijstand van verzoeker over de periode van 1 februari 2002 tot 1 november 2005 herzien in verband met onderhuur en de over deze periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.210,20 van verzoeker teruggevorderd. De rechtbank Arnhem heeft in haar uitspraak van 3 mei 2007, 06/4815, het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.


3. Bij de uitspraak van 27 oktober 2009 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 mei 2007 vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 augustus 2006 vernietigd voor zover het betreft de intrekking van de bijstand met ingang van 1 maart 2006 en het besluit van 27 april 2006 in zoverre herroepen.


4. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat hij in juni 2013 het dossier heeft ingezien bij het college en tot de conclusie is gekomen dat het dossier destijds niet volledig was zodat de Raad ten tijde van het geven van de uitspraak van

27 oktober 2009 ook niet heeft beschikt over het complete dossier. Op basis van de nu bekende gegevens - ambtelijke rapportages uit 2001 en 2002 - stelt verzoeker hard te kunnen maken dat hij wel degelijk openheid van zaken heeft gegeven wat betreft de drie onderhuurders en de op zijn naam staande auto’s en aanhangwagens, en dat hij dus wel aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. Verzoeker heeft de ontbrekende dossierstukken overgelegd. Volgens verzoeker is sprake van nieuwe feiten.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1702.


5.2.

Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.


5.3.

De hiervoor in 5.2 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 5.2 vermelde termijn van één jaar gebonden.


5.4.

In deze zaak, die geen betrekking heeft op een uitspraak over een bestuurlijke boete, is verzoeker in juni 2013, dus meer dan een jaar voorafgaand aan het herzieningsverzoek, bekend geworden met de in het verzoek gestelde nova. Toepassing van de in 5.2 geformuleerde regel brengt met zich dat moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend. De Raad ziet geen aanleiding om in dit geval een uitzondering te maken op deze regel. Daarbij wordt in aanmerking genomen het grote tijdsverloop vanaf de uitspraak van 27 oktober 2009. Appellant heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij pas in 2013 stappen heeft gezet om inzage te verkrijgen in zijn dossier.


5.5.

Gelet op wat in 5.1 tot en met 5.4 is overwogen moet het herzieningsverzoek

niet-ontvankelijk worden verklaard.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.



(getekend) C. van Viegen



(getekend) J. Meijer


HD