Centrale Raad van Beroep, 13-01-2015 / 13-4264 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:18

Inhoudsindicatie
Het college heeft het verzoek om vergoeding van door appellant in bezwaar gemaakte kosten terecht afgewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-13
Publicatiedatum
2015-01-15
Zaaknummer
13-4264 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4264 WWB

Datum uitspraak: 13 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 augustus 2013, 13/748 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam 1] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2014. Namens appellant is verschenen [naam 1]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Rijkers.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt sinds 22 december 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande en een gemeentelijke toeslag van 14%.


1.2.

Appellant heeft op 18 september 2012 schriftelijk gemeld dat [adres] zijn nieuwe adres is. Naar aanleiding van deze melding heeft het college appellant bij brief van 27 september 2012 een formulier toegezonden met vragen over zijn woonsituatie en hem verzocht dit ingevuld en ondertekend te retourneren. Daarbij heeft het college appellant erop gewezen dat, als in zijn nieuwe woonsituatie sprake is van een huurcontract, hij een kopie van dit contract moet meesturen. Als er geen huurcontract is, is een betalingsbewijs ook voldoende. Hierop moeten in ieder geval vermeld zijn: naam en handtekening verhuurder, naam huurder, adres van het huurobject en de huurprijs en de ingangsdatum van de huur. Op 3 oktober 2012 heeft appellant het formulier geretourneerd. Daarop heeft hij ingevuld dat hij op 18 september 2012 is verhuisd. Bij het formulier heeft appellant een stuk gevoegd met als opschrift ‘huurcontract’, waarin [naam 2], woonachtig op het adres [adres], verklaart dat appellant een van zijn kamers huurt en dat de betalingsverplichting van de huurder € 300,- per maand bedraagt. Het stuk is voorzien van twee handtekeningen, met de vermelding huurder en verhuurder.


1.3.

Bij besluit van 24 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 februari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant ongewijzigd voortgezet en de toeslag op de bijstand ingevolge de Toeslagenverordening WWB 2012 (Toeslagenverordening) met ingang van 18 september 2012 gewijzigd van 14% naar 5%. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant aangeeft met ingang van 18 september 2012 een kamer te huren bij [naam 2], maar dat op basis van het op

3 oktober 2012 overgelegde huurcontract niet kan worden vastgesteld op welk adres deze kamer zich bevindt, wat de ingangsdatum van de overeenkomst is, noch welke rechten en plichten voor zowel de huurder als de verhuurder uit het contract voortvloeien. Om die reden kan het door appellant op 3 oktober 2012 overlegde huurcontract niet worden aangemerkt als een zakelijke overeenkomst inzake het gebruik van de woning, welke op grond van artikel 2, zesde lid, van de Toeslagenverordening aanspraak geeft op een gemeentelijke toeslag van 14%. Voorts heeft het college het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand afgewezen. Dat bij besluit van 19 december 2012 op grond van een nieuwe huurovereenkomst de toeslag met ingang van 18 september 2012 alsnog op 14% is vastgesteld, maakt het besluit van 24 oktober 2012 volgens het college niet onrechtmatig.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Uitsluitend in geding is de vraag of het college het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand terecht heeft afgewezen.


4.2.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuur te wijten onrechtmatigheid.


4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat met het besluit van 19 december 2012 het besluit van

24 oktober 2012 is herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het besluit van 19 december 2012 is genomen nadat appellant in bezwaar een aangepaste huurovereenkomst heeft overgelegd die, anders dan het op

3 oktober 2012 overgelegde huurcontract, wel was aan te merken als een zakelijke huurovereenkomst in de zin van de Toeslagenverordening. Dit besluit is daarom, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, genomen op basis van nieuwe gegevens. Dat, zoals appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 maart 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BC6128) heeft gesteld, het college met het besluit van

19 december 2012 aan zijn bezwaar tegemoet is gekomen, maakt niet dat het college gehouden was de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. In de uitspraak waarnaar appellant verwijst, was de vraag aan de orde of het onverplicht en bij wege van coulance tegemoetkomen een bijzondere omstandigheid opleverde om af te zien van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. In dit geding gaat het echter om een verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb. Anders dan appellant stelt, heeft de rechtbank dan ook terecht overwogen dat deze uitspraak niet ziet op een vergelijkbaar geval.


4.4.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het besluit van 24 oktober 2012 onrechtmatig is omdat hij van meet af aan heeft aangetoond dat er sprake was van een zakelijke huurovereenkomst en dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door hem niet in de gelegenheid te stellen om zorg te dragen voor een huurovereenkomst die wel aan de gestelde vereisten voldeed. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft het college hem bij brief van 27 september 2012 duidelijk kenbaar gemaakt welke informatie hij met betrekking tot zijn nieuwe woonsituatie diende aan te leveren. Appellant heeft tot en met 23 oktober 2012 de gelegenheid gehad om die informatie te overleggen. Voor zover hem onduidelijk was aan welke eisen een zakelijke huurovereenkomst diende te voldoen, lag het op de weg van appellant om daarover bij het college navraag te doen.


4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het college het verzoek om vergoeding van door appellant in bezwaar gemaakte kosten terecht heeft afgewezen.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) C.M.A.V. van Kleef



HD