Centrale Raad van Beroep, 27-05-2015 / 12-2858 Wajong-S


ECLI:NL:CRVB:2015:1816

Inhoudsindicatie
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-27
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
12-2858 Wajong-S
Procedure
Schadevergoedingsuitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/2858 Wajong-S

Datum uitspraak: 27 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Staat der Nederlanden, de minister van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 april 2012, 10/1065, in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Bij uitspraak van 9 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1286 heeft de Raad op dit hoger beroep beslist. Daarbij heeft de Raad het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoeker om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

De Staat heeft afgezien van het geven van een schriftelijke uiteenzetting en refereert zich aan het oordeel van de Raad.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. In zijn uitspraak van 9 april 2014 heeft de Raad vastgesteld dat de procedure vier jaar en ruim drie maanden heeft geduurd. Vastgesteld is dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoeker gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van verzoeker, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.


2.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding is gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De in overweging 2.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingstermijn gerechtvaardigd te achten.


2.3.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vast staat dat vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 28 december 2009 tot de datum van de uitspraak van de Raad op 9 april 2014, vier jaar en ruim drie maanden zijn verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoeker aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim drie maanden is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. De Raad ziet aanleiding een bedrag van € 500,- toe te voegen in verband met de duur van deze schadeprocedure. Dit brengt het totale schadebedrag op € 1.000,-. De Raad zal de Staat veroordelen tot betaling van dit bedrag aan verzoeker.


3. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,-.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015.