Centrale Raad van Beroep, 15-01-2015 / 12-5618 AOW-W-3


ECLI:NL:CRVB:2015:182

Inhoudsindicatie
Verzoeker heeft in dezelfde hogerberoepszaak tot driemaal toe een niet geslaagd verzoek tot wraking gedaan. Het tweede wrakingsverzoek bevat gronden die zijn gericht tegen elk lid van de Raad en elke kamer in welke samenstelling dan ook, en het laatste wrakingsverzoek is expliciet gericht tegen de Raad als college. De conclusie is gerechtvaardigd dat verzoeker misbruik maakt van de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb zal de Raad bepalen dat ook een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-15
Publicatiedatum
2015-01-29
Zaaknummer
12-5618 AOW-W-3
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/5618 AOW-W-3

Datum uitspraak: 15 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[Verzoeker] te [woonplaats], België (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 september 2012, 11/6231, in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank.

Voor de aanvang van het onderzoek ter zitting op 8 november 2013 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechters mr. T.L. de Vries en prof. mr. F.A.M. Stroink. De wrakingsverzoeken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 november 2013.

De wrakingskamer van de Raad heeft de verzoeken bij beslissing van 18 november 2013 afgewezen.

Verzoeker is vervolgens in kennis gesteld van het feit dat zijn hoger beroep op de zitting van 28 februari 2014 zal worden behandeld. Voor de aanvang van het onderzoek ter zitting heeft verzoeker met een drietal verzoeken van 28 februari 2014 verzocht om wraking van

mr. M.M. van der Kade, mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon. De wrakingsverzoeken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 7 april 2014.

De wrakingskamer van de Raad heeft de verzoeken bij beslissing van 1 mei 2014 afgewezen.

Bij brief van 15 oktober 2014 heeft de griffier van de Raad verzoeker uitgenodigd om op

28 november 2014 te verschijnen op een zitting van de Raad en meegedeeld dat de behandelend rechters zijn: mrs. Van der Kade, De Vries en Simon.

Met een verzoek van 26 november 2014 heeft verzoeker verzocht de Raad als zodanig te wraken.

Mr. Van der Kade heeft bij brief van 4 december 2014, mede namens mrs. De Vries en Simon, medegedeeld niet te berusten in het wrakingsverzoek.

OVERWEGINGEN


1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.


2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 (Stcrt. 2013, nr. 11425) bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek betrekking heeft op het college als zodanig.


3. Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de Raad blijkens zijn rechtspraak weigert zijn kerntaak ‘recht’ te spreken op basis van waarheidsvinding uit te voeren en dat de Raad blijkens zijn structuur, organisatie en personele bezetting de schijn heeft van niet onafhankelijk en niet onpartijdig. Verzoeker heeft de president van de Raad verzocht het verzoek tot wraking te laten behandelen door een ander beroepscollege.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Gelet op artikel 8:15 van de Awb en artikel 2, tweede lid, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 is de wrakingskamer een meervoudige kamer van het college. Aan het verzoek van verzoeker om het wrakingsverzoek te laten behandelen door een ander beroepscollege kan dan ook geen gevolg worden gegeven.


4.2.

Het wrakingsverzoek is uitdrukkelijk gericht tegen de Raad als college. Gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 bestaat dan ook aanleiding het verzoek om wraking van de rechters niet in behandeling te nemen.


4.3.

Artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepaalt dat in geval van misbruik de bestuursrechter kan bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen.


4.3.

Nu verzoeker in dezelfde hogerberoepszaak tot driemaal toe een niet geslaagd verzoek tot wraking heeft gedaan, het tweede wrakingsverzoek gronden bevat die zijn gericht tegen elk lid van de Raad en elke kamer in welke samenstelling dan ook, en het laatste wrakingsverzoek expliciet is gericht tegen de Raad als college, is de conclusie gerechtvaardigd dat verzoeker misbruik maakt van de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb zal de Raad bepalen dat ook een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- neemt het verzoek om wraking van de Centrale Raad van Beroep niet in behandeling;

- bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in zaak 12/5618 AOW niet in behandeling

wordt genomen.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) M.S. Boomhouwer


HD