Centrale Raad van Beroep, 22-05-2015 / 13-3684 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1854

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit van 24 maart 1997. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat het besluit van 24 maart 1997 onjuist is.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2017-10-12
Zaaknummer
13-3684 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3684 WAO

Datum uitspraak: 22 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2013, 12/9224 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.I. Zaad, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Voor appellant zijn verschenen [naam echtgenote] , echtgenote van appellant, en mr. Zaad. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 22 april 1996 wegens rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als timmerman in de bouw, in verband waarmee hij bij besluit van 24 maart 1997 met ingang van 21 april 1997 in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Tevens ontving appellant tot 20 april 2001 een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW). Op 21 juni 2007 verzocht appellant om van het besluit van 24 maart 1997 terug te komen. Dat verzoek is bij besluit van 7 mei 2008 afgewezen.


1.2.

Bij brief van 31 januari 2012 heeft appellant wederom het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 24 maart 1997, omdat ten onrechte bij de besluitvorming in 1997 geen rekening is gehouden met de op dat moment al bestaande hartklachten. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant de resultaten van een cardiologisch onderzoek van 16 juli 1997 overgelegd waaruit, naar hij stelt, blijkt dat er in 1997 al sprake was van hartproblematiek. Het Uwv heeft bij besluit van 1 juni 2012 afwijzend beslist op het verzoek van appellant op de (aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontleende) grond dat appellant bij zijn aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld die tot het oordeel kunnen leiden dat het besluit van 24 maart 1997 onjuist is. Bij besluit van 16 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juni 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de hartproblematiek wel degelijk in 1997 aanwezig was en dat er daarom aanleiding is het besluit van 24 maart 1997 te herzien. Hij stelt dat keuringsonderzoek destijds onzorgvuldig is geweest. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant onder meer gewezen op de uit 1997 daterende cardiogrammen en informatie van de cardioloog M. Bax van 19 december 2005, 10 juni 2011 en 7 mei 2012. Voorts heeft hij gesteld dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de brief van

11 februari 2013 van cardioloog Bax.


3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd een verzoek te doen om terug te komen van een eerder besluit (met ingang van de datum waarop dat besluit zag), een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid of een verzoek te doen om herziening voor de toekomst. Dit onderscheid is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen.


4.2.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.


4.3.

Onder toepassing van hetgeen in 4.1 is overwogen, moet de aanvraag van 31 januari 2012 van appellant naar zijn strekking worden beoordeeld. Het betreft hier een tweede verzoek van appellant om terug te komen van het besluit 24 maart 1997, waarbij een uitkering op grond van de WAO per 21 april 1997 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% is toegekend. Dit verzoekt strekt ertoe aan appellant een uitkering naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse toe te kennen zowel voor het verleden (met als ingangsdatum 21 april 1997) als voor de toekomst (met als ingangsdatum 31 januari 2012). Tevens strekt verzoek van appellant ertoe een beroep te doen op de artikelen 37 en 39a van de WAO wegens toegenomen klachten.


4.4.

Voor zover de aanvraag een verzoek om terug te komen van het besluit van 24 maart 1997 behelst, overweegt de Raad als volgt. De rechtbank heeft met juistheid geconcludeerd dat het Uwv terecht in het verzoek van appellant van 31 januari 2012 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om de belastbaarheid per 21 april 1997 te herzien, aanwezig heeft geacht. Hiertoe heeft de rechtbank terecht gewezen op de rapporten van de stafverzekeringsarts van 8 en 9 mei 2012, waarin deze arts op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en bestudering van de door appellant aangedragen cardiologische informatie uit 1997 tot de conclusie is gekomen dat er geen aanleiding is om een ander standpunt in te nemen over de belastbaarheid van appellant in 1997. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de stafverzekeringsarts in zijn rapporten inzichtelijk gemotiveerd heeft hoe hij tot zijn conclusie is gekomen. Naar aanleiding van het gestelde in hoger beroep voegt de Raad hieraan nog toe dat gelet op de inhoud van het uitvoerige rapport van de stafverzekeringsarts het Uwv het bestreden besluit met voldoende zorgvuldigheid heeft voorbereid.


4.5.

Het Uwv heeft - in weerwil van de in 4.3 vastgestelde strekking van de aanvraag van appellant - uitsluitend beslist of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van zijn besluit van 24 maart 1997 en heeft de aanvraag van appellant niet tevens opgevat als betrekking hebbend op de toekomst, noch beoordeeld of er voor appellant aanspraak bestaat op grond van de artikelen 37 en 39a van de WAO. Nu het Uwv in het bestreden besluit dientengevolge heeft verzuimd te beoordelen of hetgeen door appellant is aangevoerd ertoe kan leiden dat hij voor de toekomst aanspraak kan maken op een uitkering krachtens de WAO dan wel of appellant rechten kan ontlenen aan de artikelen 37 en 39a van de WAO, is dit besluit onzorgvuldig voorbereid en dientengevolge niet deugdelijk gemotiveerd, zodat dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2, en 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan blijven. Nu zulks niet door de rechtbank is onderkend, moet de aangevallen uitspraak eveneens worden vernietigd. De Raad zal thans bezien of er voldoende gegevens beschikbaar zijn om tot een eindoordeel over de aanvraag van appellant te komen.


4.6.

Appellant heeft bij zijn aanvraag of in bezwaar geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, hoewel geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, aanleiding hadden moeten geven tot nader onderzoek door het Uwv en die konden bijdragen aan het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit waarvan herziening is gevraagd, niet kan worden gehandhaafd voor zover het gaat om eventuele aanspraken vanaf de datum waarop de herhaalde aanvraag is ingediend. De brief van 11 februari 2013 van cardioloog Bax, die aansluit bij in een eerder stadium verstrekte gegevens, kan niet als een dergelijk feit beschouwd worden, reeds omdat in deze brief geen stellige uitspraak wordt gedaan over de cardiologische situatie van appellant in 1997 en slechts een interpretatie van de aangedragen cardiologische gegevens uit het verleden wordt gegeven. Uit deze interpretatie kan zeker niet afgeleid worden dat cardioloog Bax van mening is dat appellant in 1997 leed aan een cardiale aandoening, zoals bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van

5 december 2012 en 21 februari 2013 terecht heeft geconstateerd.


4.7.

Voor zover appellant met de aanvraag eveneens een Amber-beoordeling heeft beoogd, geldt het volgende. Op grond van artikel 39a van de WAO vindt ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Gelet op het feit dat het Uwv bij de beoordeling in 1997 alleen beperkingen heeft aangenomen die betrekking hebben op rugklachten, en dat aan de thans voorliggende melding ten grondslag ligt dat destijds, in 1997, ten onrechte geen rekening is gehouden met de hartklachten, kan een beroep op 39 a van de WAO niet slagen, omdat het hier gaat om klachten die voortvloeien uit een andere oorzaak dan waarvoor de uitkering is toegekend. Zulks is ook blijkens het gestelde op pagina vijf van meergenoemd rapport van de stafverzekeringsarts uitdrukkelijk door die arts vastgesteld.


4.8.

Voor zover de aanvraag ziet op herziening van de WAO onder toepassing van artikel 37, eerste en tweede lid, van de WAO, overweegt de Raad het volgende. Genoemde wetsbepaling luidt voor zover hier van belang, als volgt:


“Terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 39 en 39a, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd.” en “De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet plaats indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, terzake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.”


In artikel 7b van de WAO, is het volgende bepaald: “Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd degene, die op grond van de verplichte verzekering ingevolge deze wet uitkering ontvangt.”


4.9.

Uit de hiervoor genoemde wetsartikelen volgt dat appellant in de periode dat hij WW ontving en welke periode eindigde op 20 april 2001, hij in verband met hartklachten aanspraak zou kunnen maken op een herziening van zijn WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Zulks is blijkens het rapport van 8 mei 2012 mede voorwerp van onderzoek van de stafverzekeringsarts geweest. Op basis van zijn onderzoek komt die arts over de periode 1997 tot 20 april 2001 (plus vier weken) niet tot een ander oordeel over de belastbaarheid van appellant dan in 1997 is aanvaard, terwijl er op zijn vroegst ruim na de verzekerde periode sprake is van feiten die mogelijk van invloed zijn op de belastbaarheid van appellant. Onder verwijzing naar hetgeen in 4.4 is overwogen, bestaat geen grond de juistheid van de bevindingen van de stafverzekeringsarts in twijfel te trekken.


4.10.

Tevens volgt uit genoemde wetsartikelen dat appellant, die na de beëindiging van uitkering krachtens de WW ingevolge artikel 7b van de WAO na 18 mei 2001 alleen verzekerd is op grond van zijn, gedeeltelijke, WAO-uitkering, niet in aanmerking kan komen voor een ophoging van zijn uitkering, reeds omdat, zo het Uwv toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van de hartklachten zou constateren, deze toename voortkomt uit een andere oorzaak dan die waarop de arbeidsongeschiktheid in 1997 is vastgesteld.


4.11.

In het vorenstaande ligt besloten dat de aanvraag van appellant ook voor wat de aspecten waarover het Uwv niet heeft beslist, dient te worden afgewezen. Dit betekent dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond zal verklaren, het bestreden besluit zal vernietigen, en onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zal laten.


5. Er bestaat derhalve aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1470,- in beroep en € 980,- in hoger beroep, totaal € 2550,-.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het besluit van besluit van 16 augustus 2012;
  • - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.550,-;
  • - bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2015.




(getekend) H. van Leeuwen




(getekend) J.R. van Ravenstein




JL