Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 13-4097 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1883

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt voor maatgevende arbeid. Voldoende medische grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-18
Zaaknummer
13-4097 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4097 ZW

Datum uitspraak: 2 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 juni 2013, 13/1498 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. E.J.M van Daalhuizen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, voorheen werkzaam als receptionist/gastheer restaurant voor 24 uur per week, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 11 april 2012 ziek gemeld vanwege verslavingsproblematiek. Naar aanleiding van deze ziekmelding is aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.


1.2.

Bij besluit van 5 december 2012 heeft het Uwv het recht op ZW-uitkering van appellant met ingang van 10 december 2012 beëindigd, omdat hij per die datum geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 11 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat hij ten gevolge van zijn verslavingsproblematiek per 10 december 2012 niet in staat is zijn functie van receptionist/gastheer restaurant te verrichten. Uit de in beroep overgelegde medische informatie volgt volgens appellant dat op of rond 10 december 2012 sprake was van gebreken welke voortvloeien uit verslavingsproblematiek, welke gebreken tot behandeling door Castle Craig noodzaken. In dat kader voert appellant aan dat nog steeds sprake is van echtscheidingsproblematiek. Appellant vreest voor een terugval. Er is sprake van een wankel evenwicht, waardoor werken door Castle Craig wordt afgeraden.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten zien aanzien van een verzekerde, die zich als werkloze werknemer heeft ziek gemeld en derhalve geen werkgever heeft, onder zijn arbeid verstaan de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever doorgaans kenmerkend voor die arbeid zijn. In dit geval is dat het werk van receptionist/gastheer restaurant voor 24 uur per week.


4.2.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat appellant met ingang van

10 december 2012 in staat moet worden geacht de werkzaamheden behorend bij de functie receptionist/gastheer restaurant te vervullen. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 december 2012 en 10 januari 2013. De gronden van appellant in hoger beroep komen neer op een herhaling van hetgeen reeds bij de rechtbank is besproken. Aangezien de rechtbank die gronden uitgebreid heeft besproken en het betreffende oordeel van de rechtbank onder 10 van de aangevallen uitspraak wordt onderschreven, wordt volstaan met te verwijzen naar de aangevallen uitspraak. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt dat hij per 10 december 2012 ten gevolge van zijn verslavingsproblematiek niet in staat is zijn maatgevende functie te vervullen niet met nadere stukken onderbouwd. Hetgeen ter zitting door appellant over zijn moeilijke sociale omstandigheden is aangevoerd is invoelbaar, maar leidt niet tot een andere conclusie. Van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken is geen sprake.


4.3.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.



(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) V. van Rij




NK