Centrale Raad van Beroep, 17-06-2015 / 12-4579 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:1931

Inhoudsindicatie
Weigering vervoersvoorziening in de vorm van een snorscooter. Hardheidsclausule. Het college heeft aan appellant een vergoeding aangeboden voor de aanschaf en het onderhoud van een snorscooter. De Raad houdt het ervoor dat het college daarmee in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding heeft gezien om toepassing te geven aan de in de Verordening neergelegde hardheidsclausule. Een snorscooter voor appellant is, gelet op zijn medische gesteldheid, een geëigende vervoersvoorziening voor de korte afstand is. Om uit de impasse te komen ziet de Raad aanleiding om te bepalen dat de snorscooter met hoes aan appellant in natura wordt verstrekt .
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-06-22
Zaaknummer
12-4579 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/232
Uitspraak

12/4579 WMO

Datum uitspraak: 17 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van

18 juli 2012, 11/5716 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Geels.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het college in de gelegenheid gesteld om nader te onderzoeken welke vervoersvoorziening voor de korte afstandsproblematiek van appellant naast de reguliere voorziening het goedkoopst, adequaat compenserend is en of hiervoor een persoonsgebonden budget (pgb) kan worden toegekend.

Bij brief van 26 mei 2014 heeft het college hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 5 november 2014. Appellant is, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

W. Hus en mr. Geels.

Naar aanleiding van het ter zitting van de Raad door het college gedane aanbod van een pgb voor de aanschaf en het gebruik van een snorscooter heeft de Raad het onderzoek ter zitting geschorst.

Appellant heeft de Raad te kennen gegeven niet op het aanbod van het college in te gaan.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is bekend met diverse bewegingsbeperkingen en aandoeningen als gevolg waarvan hij fors is beperkt in zijn mobiliteit. Appellant heeft een loopafstand van minder dan 100 meter. Op 30 juli 2010 heeft appellant bij het college een aanvraag ingediend om een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).


1.1.

Ten behoeve van de aanvraag heeft het college advies ingewonnen bij centrum indicatiestelling zorg (CIZ). De bevindingen van het onderzoek van CIZ zijn neergelegd in een adviesrapportage van 7 oktober 2010. CIZ heeft vastgesteld dat er een medische indicatie is voor een vervoersvoorziening voor vervoer in de directe woonomgeving. Gebleken is dat appellant vanwege zijn aandoeningen geen gebruik kan maken van een scootmobiel, ook niet stapvoets rijdend, met rustig rijgedrag op een extra geveerd type scootmobiel. Appellant en zijn huisarts hebben te kennen gegeven dat een snorscooter in deze situatie de meest adequate oplossing zou zijn, waaraan CIZ zich heeft geconformeerd. CIZ heeft daarom het college geadviseerd om een passing- en selectieonderzoek te laten uitvoeren om adequaatheid van deze voorziening vast te stellen wanneer het college voornemens is over te gaan tot verstrekking van een snorscooter.


1.2.

Bij besluit van 7 januari 2011 heeft het college de aanvraag van appellant voor een vervoersvoorziening afgewezen. Op grond van artikel 1.1 (lees: 1.2, tweede lid, aanhef en onder a), van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar (Verordening) wordt geen voorziening toegekend als de voorziening algemeen gebruikelijk is. Een snorscooter ziet het college als een algemeen gebruikelijk vervoersmiddel. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.


1.3.

Bij besluit van 13 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingediend.


2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat er een indicatie voor een vervoersvoorziening is voor het vervoer in de directe woonomgeving. Hij is niet in staat is om gebruik te maken van een scootmobiel. Dat heeft CIZ ook onderkend. Een snorscooter is een goede oplossing voor het vervoer in de directe woonomgeving. Het verstrekken van een persoonsgebonden budget voor de aanschaf en het gebruik van een snorscooter is voor het college bovendien goedkoper dan het verstrekken van een scootmobiel.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op een vervoersvoorziening is aangewezen voor het vervoer in de directe woonomgeving en dat hij vanwege zijn bewegingsbeperkingen en aandoeningen geen gebruik kan maken van een scootmobiel. Verder zijn partijen het er over eens dat een snorscooter voor appellant, gelet op zijn medische gesteldheid, een geëigende vervoersvoorziening voor de korte afstand is. De Verordening en het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar voorzien evenwel niet in de mogelijkheid voor de verstrekking van (een pgb voor) een vervoersvoorziening in de vorm van een snorscooter.


4.2.

Het college heeft aan appellant een vergoeding aangeboden voor de aanschaf en het onderhoud van een snorscooter. De Raad houdt het ervoor dat het college daarmee in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding heeft gezien om toepassing te geven aan de in artikel 9.1 van de Verordening neergelegde hardheidsclausule. Gezien de mogelijkheid om een snorscooter te beschermen met een hoes is de Raad met het college van oordeel dat de door appellant gewenste (aanpassing van de) berging voor de snorscooter niet nodig is.


4.3.

Partijen zijn verdeeld over de kosten voor de aanschaf en het gebruik van een snorscooter. Om uit de impasse te komen ziet de Raad aanleiding om te bepalen dat de snorscooter met hoes aan appellant in natura wordt verstrekt op de hiervoor binnen de gemeente gebruikelijke wijze van op grond van de Wmo te verstrekken voorzieningen in natura.


4.4.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover aangevochten, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond wordt verklaard en dat besluit wordt vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en onder herroeping van het besluit van 7 januari 2011 bepalen dat aan appellant een vervoersvoorziening in natura in de vorm van een snorscooter met hoes wordt toegekend op de wijze als onder 4.3 genoemd.


5. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 september 2011 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- herroept het besluit van 7 januari 2011 en stelt daarvoor hetgeen is beslist in

rechtsoverweging 4.4 in de plaats;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 115,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015.




(getekend) A.J. Schaap




(getekend) M.D.F. de Moor




HD