Centrale Raad van Beroep, 12-06-2015 / 11-6256 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:1934

Inhoudsindicatie
Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:2213) heeft CIZ een herziene beslissing op bezwaar en daaraan ten grondslag gelegde nadere stukken toegezonden. CIZ heeft de tussenuitspraak niet juist uitgevoerd. CIZ heeft onvoldoende onderzoek gedaan. De Raad houdt het ervoor dat betrokkene net als voorheen, was aangewezen op AB, klasse 4 (7 tot 9,9 uur per week). De Raad voorziet in die zin, ter finale beslechting van het geschil, zelf in de zaak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-06-22
Zaaknummer
11-6256 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/6256 AWBZ, 15/2060 AWBZ





Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer





Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

10 oktober 2011, 10/1287 (aangevallen uitspraak)







Partijen:


CIZ

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)


Datum uitspraak: 12 juni 2015


PROCESVERLOOP

CIZ heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene heeft mr. A.H. Punt-Koopmans, advocaat, een verweerschrift ingediend.


Partijen hebben nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2012. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt en T. Hooslema. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Punt-Koopmans.


De Raad heeft het onderzoek heropend op de grond dat het onderzoek niet volledig is geweest.


Partijen hebben opnieuw nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 9 april 2014. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Maris-Kindt. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Punt-Koopmans.


Na een tussenuitspraak van de Raad van 2 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2213, heeft CIZ de Raad bij brief van 22 september 2014 een herziene beslissing op bezwaar van

18 september 2014 en daaraan ten grondslag gelegde nadere stukken toegezonden.


Bij brief van 23 oktober 2014 heeft mr. Punt-Koopmans haar zienswijze daarover naar voren gebracht.


CIZ heeft op de zienswijze een reactie gegeven.


De Raad heeft het onderzoek vervolgens gesloten.



OVERWEGINGEN


1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor de feiten en omstandigheden waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat .


2. In de tussenuitspraak heeft de Raad het volgende overwogen en beslist.

- CIZ heeft ten onrechte niet beoordeeld of betrokkene met ingang van 8 februari 2008 was aangewezen op een indicatie voor activerende begeleiding. Hieraan doet niet af dat betrokkene met ingang van 1 januari 2009 geïndiceerd is voor de nieuwe zorgfunctie begeleiding.

- CIZ heeft geen gemotiveerd standpunt ingenomen over de ruimte die op grond van artikel 7 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) met ingang van 1 januari 2008 bestaat voor niet-curatieve begeleiding van psychiatrische patiënten ten laste van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Een gemotiveerde, concrete beoordeling voor hoeveel uur per week betrokkene is aangewezen op Activerende begeleiding (AB) in aanvulling op behandeling ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) ontbreekt.

- Op grond van het overgangsrecht blijft artikel 7 van het Bza tot 1 januari 2010 van toepassing.

  • - CIZ heeft onvoldoende gemotiveerd waarom voor de zorgfunctie Begeleiding is volstaan met een indicatie voor klasse 7. CIZ heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat klasse 7 voor die functie het maximum is. Het Bza biedt daarvoor geen steun. De Beleidsregels indicatiestelling AWBZ maken voor Begeleiding individueel een indicatie voor klasse 8 mogelijk.
  • - CIZ dient de indicatie voor Begeleiding individueel met een urenverdeling voor specifieke activiteiten inzichtelijk te maken.

3. CIZ heeft bij besluit van 18 september 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij zijn het primaire besluit van 6 februari 2008 en de herziene beslissing op bezwaar van 25 januari 2011 herroepen en vervangen door een nieuwe indicatie voor:

- Verblijf langdurig, klasse 7, van 8 februari 2008 tot 7 februari 2013

- Persoonlijke verzorging, klasse 2, van 8 februari 2008 tot 7 februari 2013

- Ondersteunende begeleiding groep, klasse 3, van 8 februari 2008 tot 1 januari 2010;

- Ondersteunende begeleiding algemeen, klasse 8, van 8 februari 2008 tot 1 januari 2010;

- Begeleiding groep, klasse 3, van 1 januari 2010 tot 7 februari 2013;

- Begeleiding individueel, klasse 8, van 1 januari 2010 tot 7 februari 2013;

- Vervoer voor Ondersteunende begeleiding groep en Begeleiding groep.

CIZ heeft geen indicatie voor AB gesteld. Volgens de Indicatiecriteria beleidsregels activerende begeleiding 2008 is volgens CIZ voor verzekerden met een psychiatrische aandoening of beperking slechts een indicatie voor AB mogelijk als het gaat om activerende begeleiding met een niet-geneeskundig doel. Behandelend psychiater Altena heeft in 2006 aangegeven dat er diverse behandeldoelen bereikt kunnen worden met begeleiding. Juist hiervoor is een verlenging aangevraagd. Dit betekent volgens CIZ dat sprake is van geneeskundige zorg, zodat geen aanspraak bestaat op AWBZ-zorg in de vorm van AB. Dat vanuit de Zvw om uitvoeringstechnische redenen geen begeleiding geleverd zou kunnen worden, is een zorgrealisatieprobleem en niet van belang voor de indicatiestelling.

CIZ heeft de omvang van de indicatie voor Begeleiding individueel, onder toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, nader vastgesteld op klasse 8 (20 tot 24,9 uur per week). Hierbij is rekening gehouden met dagelijks problemen oplossen (210 minuten per week), initiëren eenvoudige taken (420 minuten per week), initiëren complexe taken (210 minuten per week), dagelijkse routine/structuur regelen (105 minuten per week), dagelijkse bezigheden (105 minuten per week) en ondersteuning communicatie (210 minuten per week).


4. Betrokkene heeft in haar zienswijze van 23 oktober 2014 aangevoerd dat geen uitvoering is gegeven aan de tussenuitspraak voor zover CIZ niet concreet, gemotiveerd heeft beoordeeld hoeveel uur AB in aanvulling op behandeling op grond van de Zvw nodig is. Verder heeft zij aangevoerd dat voor Begeleiding individueel op grond van de Indicatiewijzer 3.0 in uitzonderingsgevallen additionele uren kunnen worden geïndiceerd. Klasse 8 is te weinig omdat betrokkene elke dag begeleiding nodig heeft van 8.00 uur tot 23.00 uur. Er is sprake van een groot aantal persoonlijkheden waardoor de situatie van betrokkene volstrekt onvoorspelbaar is en permanente begeleiding nodig is. CIZ had nader moeten onderzoeken waaruit de begeleiding van betrokkene precies bestaat.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het besluit van 18 september 2014 (bestreden besluit 3) is een beslissing die in de plaats komt van het besluit van 25 januari 2011 (bestreden besluit 2). Nu dit besluit niet volledig aan het beroep tegemoet komt wordt het beroep geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht.

Omdat CIZ bestreden besluit 2 heeft herroepen dient de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is vernietigd, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.


5.2.

Uit 5.1 volgt dat nog de vraag moet worden beantwoord of CIZ de tussenuitspraak juist heeft uitgevoerd.


5.3.

Voor Begeleiding individueel wordt die vraag bevestigend beantwoord. CIZ heeft een overzicht van ondersteunende activiteiten en daarbij behorende zorgtijden gegeven en zodoende de gestelde indicatie voor klasse 8 inzichtelijk gemaakt. De Raad gaat voorbij aan het standpunt van betrokkene dat ook nog additionele uren geïndiceerd hadden moeten worden, nu dat standpunt niet concreet en inzichtelijk met een overzicht van activiteiten en daarmee gemoeide zorguren is onderbouwd.


5.4.

Voor AB wordt die vraag ontkennend beantwoord nu CIZ niet heeft onderzocht of en in hoeverre betrokkene in aanvulling op de zorg, in het bijzonder begeleiding, die op grond van de Zvw kan worden verkregen, is aangewezen op AB. Nu CIZ tweemaal, zowel door de rechtbank in aangevallen uitspraak als door de Raad in de tussenuitspraak, is opgedragen dit aspect te onderzoeken, maar dit niet heeft gedaan, moet de Raad het ervoor houden dat betrokkene van 8 februari 2008 tot 1 januari 2010, blijkens het besluit van 7 februari 2007 net als voorheen, was aangewezen op AB, klasse 4 (7 tot 9,9 uur per week). De Raad zal in die zin, ter finale beslechting van het geschil, zelf in de zaak voorzien.


6. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Het beroep tegen bestreden besluit 3 is gegrond. Dit besluit wordt vernietigd voor zover daarin geen indicatie voor AB is gesteld. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat betrokkene in aanvulling op de in bestreden besluit 3 gestelde indicatie is aangewezen op AB, klasse 4, van 8 februari 2008 tot 1 januari 2010.


7.1.

Betrokkene heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Betrokkene heeft voorts verzocht om vergoeding van geleden schade ter hoogte van het bedrag dat zij niet heeft kunnen besteden aan niet-geneeskundige AB.


7.2.

Voor de wijze van beoordeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt in de eerste plaats gewezen op de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).


7.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 24 maart 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991), moet in een geval als dit waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Voorts wordt gewezen op de uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2978, waarin de Raad heeft overwogen dat in een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan wordt toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure één of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur in de rechterlijke fase dan gerechtvaardigd is, dan komt de periode waarmee de rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie). De behandeling van het beroep mag ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep mag ten hoogste twee jaar duren. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.


7.4.

Voor het onderhavige geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door CIZ op 20 maart 2008 tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en ongeveer twee maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188. De redelijke termijn is dan ook met drie jaar en twee maandenoverschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van zeven maal € 500,-, dit is

€ 3.500,-.

7.5.

Voor wat betreft de toerekening van dit bedrag wordt het volgende overwogen.

7.6.

De eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op

14 april 2009 tot de uitspraak van 4 januari 2010 heeft bijna negen maanden in beslag genomen. In deze fase is de behandelingsduur van anderhalf jaar dan ook niet overschreden. De periode tussen de ontvangst van het tweede beroepschrift door de rechtbank op 5 juli 2010 tot de tussenuitspraak van de Raad van 2 juli 2014 heeft bijna vier jaar in beslag genomen. Dit betekent dat in deze fase de redelijke termijn in de rechterlijke fase van drie en een half jaar is overschreden met bijna een half jaar.


7.7.

De Staat wordt, gelet op de in 7.6 geconstateerde overschrijding, veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene ten bedrage van € 500,-. CIZ wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van

€ 3.000,-.


7.8.

Ten aanzien van de overige gevorderde schade overweegt de Raad dat het nog niet vaststaat dat zij die schade heeft geleden. Het zorgkantoor heeft nog geen standpunt in kunnen nemen naar aanleiding van de onder 6 genoemde aangepaste indicatie. Aan een beoordeling van het verzoek om schadevergoeding in zoverre kan daarom niet worden toegekomen.


8. CIZ zal worden veroordeeld in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 2.205,- voor kosten van rechtsbijstand (verweerschrift, twee maal het bijwonen van de zitting, de schriftelijke reacties van 5 december 2012 en 19 september 2013 en de zienswijze van 23 oktober 2014, totaal 4,5 punt) en € 98,44 voor reiskosten.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover daarbij geen indicatie voor AB is gesteld;

- beslist dat betrokkene van 8 februari 2008 tot 1 januari 2010 is aangewezen op een indicatie voor AB, klasse 4;

- veroordeelt de Staat (het Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

- veroordeelt CIZ tot betaling aan betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.000,-;

- veroordeelt CIZ in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.303,44;

- bepaalt dat van CIZ een griffierecht wordt geheven van € 454,-.



Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015.




(getekend) R.M. van Male




(getekend) R.L. Rijnen




NKs