Centrale Raad van Beroep, 29-05-2015 / 13-3349 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1945

Inhoudsindicatie
WIA-uitkering kan worden herzien of ingetrokken ingeval van niet (volledige) informatie verschaffing. Intrekking met terugwerkende kracht is in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Er zijn echter uitzonderingsgevallen, zoals ingeval de betrokkene een ziekte voorwendt (simuleert). Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek van het Uwv onvoldoende steun biedt voor de conclusie dat appellant ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts in 2007 een ziekte heeft voorgewend. In de rapporten van de psychiaters Kondakçi en Hassing geen concrete aanwijzingen dat er sprake is van simulatie. De intrekking van de uitkering mtwk is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-29
Publicatiedatum
2015-06-19
Zaaknummer
13-3349 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AB 2015/358 met annotatie van A. Tollenaar
Uitspraak

13/3349 WIA

Datum uitspraak: 29 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 mei 2013, 12/1264 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Voor appellant is verschenen mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 21 mei 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van

12 februari 2007 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van zijn arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Aan die beslissing ligt een verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag, waarbij informatie van de behandelend psychiater S. [naam] is betrokken.


1.2.

Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het Uwv, na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij een op verzoek van de verzekeringsarts uitgebrachte expertise door psychiater A.W. de Lange is betrokken, aan appellant met ingang van 12 november 2008 een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) toegekend.


1.3.

Naar aanleiding van het strafrechtelijke onderzoek Marque, waarin onderzoek is gedaan naar een verdenking van fraude door psychiater [naam], bestaande uit het afgeven van valse medische verklaringen, heeft het Uwv heronderzoek verricht naar de gezondheidstoestand van appellant. Op verzoek van een verzekeringsarts van het Uwv is psychiater H. Kondakçi op

28 april 2011 in psychiatrisch consult geroepen. Deze arts heeft op de vraag of er bij appellant sprake is van psychiatrische problematiek geantwoord dat er vermoedelijk sprake is van spanningsklachten in het kader van een aanpassingsstoornis. Aanwijzingen voor een ernstige depressie, psychose of angststoornis zag Kondakçi niet. Aangezien appellant de neiging vertoonde tot aggraveren en onderpresteren, achtte Kondakçi verder gedragsdeskundig onderzoek geïndiceerd. Vervolgens heeft psychiater W.M.J. Hassing, op verzoek van de verzekeringsarts, op 26 september 2011 een psychiatrische expertise uitgebracht. De verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek en de beschikbare psychiatrische informatie geconcludeerd dat er bij appellant geen sprake is van verminderde arbeidsmogelijkheden ten gevolge van een ziekte en/of gebrek, aangezien er geen psychiatrisch ziektebeeld is vast te stellen en er ook geen aanwijzingen zijn voor somatische problematiek. De verzekeringsarts is van mening dat, gelet op de aggraverende presentatie tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, die in grote lijnen overeenkomt met

(het gedrag tijdens) de eerdere onderzoeken, en het feit dat is vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn voor een lager dan gemiddelde intelligentie, gesteld kan worden dat appellant bij eerdere beoordelingen een onjuist en onvolledig beeld van zijn klachten en beperkingen heeft gegeven.


1.4.

Met verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van

12 oktober 2011, onder intrekking van het besluit van 21 mei 2007, beslist dat betrokkene per 12 februari 2007 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat er geen sprake is van ziekte of gebrek. Appellant heeft tegen het besluit van 12 oktober 2011 bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat het niet aannemelijk is dat er in het verleden, vanaf 2007, sprake is geweest van een psychiatrische aandoening. Met verwijzing naar dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 2 februari 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 oktober 2011 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek in 2011 op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de beperkingen van appellant per 12 februari 2007 anders zijn dan destijds in 2007 en 2008 is vastgesteld.

De rechtbank heeft overwogen dat door toedoen van appellant een te hoog bedrag aan uitkering is verstrekt en dat appellant, gezien zijn eigen rol in het geheel, ernstig rekening diende te houden met een herziening of intrekking van zijn uitkering.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij in 2007, na onderzoek door diverse medici, volledig arbeidsongeschikt is verklaard en dat hij daarna nog diverse malen door artsen is onderzocht en onverminderd arbeidsongeschikt is bevonden. Appellant heeft bezwaar tegen de intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht omdat van verwijtbaar gedrag van zijn kant geen sprake is geweest.


3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is, voor zover hier van belang, bepaald dat het Uwv beschikkingen op grond van deze wet herziet of intrekt indien, als gevolg van het niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen, het recht op uitkering op grond van deze wet ten onrechte is vastgesteld. In artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA is, voor zover hier van belang, bepaald dat de verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, aan het Uwv dient te verschaffen.


4.2.

De intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht, zoals in deze zaak aan de orde is, moet in het algemeen in strijd worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel. Er zijn echter uitzonderingsgevallen waarin van strijd met dat beginsel geen sprake is. Hierbij valt onder meer te denken aan gevallen waarin het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de betrokkene, terwijl het bestuursorgaan een andere

(minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien het destijds de juiste feiten had gekend. Uit de rechtspraak van de Raad blijkt dat hiervan onder meer sprake is als de betrokkene een ziekte voorwendt (simuleert) (zie onder meer de uitspraak van de Raad van

11 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU6128).


4.3.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek van het Uwv onvoldoende steun biedt voor de conclusie dat appellant ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts in 2007 een ziekte heeft voorgewend. Van belang is dat uit de rapporten van de psychiaters Kondakçi en Hassing geen concrete aanwijzingen naar voren komen voor het standpunt van het Uwv dat er sprake is van simulatie.


4.3.1.

Kondakçi heeft gerapporteerd dat appellant bij het onderzoek de neiging vertoonde tot aggraveren en onderpresteren. Er is een onderscheid tussen simulatie (klachten voorwenden die je niet hebt) en aggravatie (overdrijving). Bij simulatie is sprake van een bewuste handeling waardoor er sprake kan zijn van toekenning, of voortzetting, van een uitkering op grond van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing. Bij aggravatie hoeft van dit laatste geen sprake te zijn en is het aan de (verzekerings)arts om onderscheid te maken tussen reële klachten en aggravatie.


4.3.2.

Op grond van het rapport van Hassing kan evenmin worden geconcludeerd dat appellant in 2007 een ziekte heeft voorgewend. Dat Hassing bij onderzoek in 2011 geen psychiatrische diagnose kon stellen biedt onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat appellant bij de beoordeling in 2007 een ziekte heeft voorgewend of anderszins onjuiste informatie heeft verstrekt. Zij kon geen uitspraak doen over mogelijk eerdere psychiatrische problematiek.


4.4.

Het standpunt van het Uwv dat uit het verschil in de presentatie van appellant bij de onderzoeken in 2007 en in 2011 kan worden geconcludeerd dat appellant in 2007 een (psychiatrische) ziekte heeft voorgewend, en dat daarom het standpunt gerechtvaardigd is dat appellant in 2007 geen beperkingen had als gevolg van ziekte en/of gebrek, wordt niet onderschreven, reeds omdat uit het dossier blijkt dat appellant in 2005 is geaccepteerd voor de Ziektewet omdat er volgens de verzekeringsarts destijds sprake was van “ernstige psychiatrie”.


4.5.

Nu het Uwv onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de toekenning en het voortzetten van de WIA-uitkering het gevolg is geweest van bewust toneelspel en daarmee onjuiste of onvolledige informatieverschaffing, in de zin van artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA, is de intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd en het besluit van 12 oktober 2011 zal worden herroepen.


5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden in beroep begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand. De kosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep worden begroot op

€ 980,-. In totaal bedragen deze kosten € 1.960,-.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 februari 2012;

- herroept het besluit van 12 oktober 2011;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en C.P.J. Goorden en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) W. de Braal




JvC