Centrale Raad van Beroep, 12-06-2015 / 13-5889 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1948

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Geen recht op heropening van de WAO-uitkering, omdat meer dan vijf jaar is verstreken na de intrekking. Het Uwv is er bij het bestreden besluit ten onrechte van uitgegaan dat geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak over de periode van 22 januari 2008 tot 10 mei 2010. Nu de datum van 22 januari 2008 ligt binnen de vijfjaarstermijn van artikel 43a van de WAO had het Uwv de toegenomen angstklachten van appellante in de periode vanaf 22 januari 2008 moeten beoordelen in het kader van artikel 43a van de WAO, ervan uitgaande dat een toename van de hiermee samenhangende beperkingen berust op dezelfde ziekteoorzaak. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Gelet hierop is het belang aan beoordeling van de subsidiaire beroepsgrond van appellant ten aanzien van toekenning en beëindiging van de WGA-uitkering komen te ontvallen, nu eerst de aanspraak op een (doorlopende) WAO-uitkering dient te worden beoordeeld. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-06-22
Zaaknummer
13-5889 WIA-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5889 WIA-T

Datum uitspraak: 12 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 april 2013, 12/4259 (aangevallen tussenuitspraak) en de einduitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 september 2013, 12/4259 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Bart, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Bart. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is eind 2002 uitgevallen voor haar werk als verkoopmedewerkster binnendienst voor 40 uur per week bij [bedrijf 1] door psychische klachten. Aan haar is vervolgens, op haar verzoek, een (gedeeltelijke) uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 29 november 2003, die bij besluit van 14 januari 2004 is beëindigd per 1 maart 2004. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt en dit besluit staat hiermee in rechte vast. Appellante heeft haar werkzaamheden vervolgens hervat.


1.2.

Op 29 december 2004 is appellante opnieuw uitgevallen voor haar werk. Bij besluit van 10 juli 2006 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor destijds een WAO-uitkering is toegekend en dat de nieuwe arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar heeft plaatsgevonden. Echter, aangezien aanspraak bestaat op ziekengeld op grond van artikel 29b van de Ziektewet (ZW) dat hoger zou zijn dan de WAO-uitkering, heeft het Uwv geweigerd om haar een WAO-uitkering toe te kennen. Tegen het besluit van 10 juli 2006 is geen bezwaar gemaakt en hiermee staat dit besluit in rechte vast. Appellante is ziekengeld toegekend op grond van artikel 29b van de ZW met ingang van 29 december 2004 en zij is met ingang van 28 januari 2006 hersteld geacht voor haar eigen werk, wat zij niet heeft bestreden.


1.3.

Appellante is per 1 augustus 2006 gaan werken als verkoopmedewerkster binnendienst bij [bedrijf 2] voor 32 uur per week. Op 22 januari 2008 is zij uitgevallen voor dit werk door gekneusde ribben en psychische klachten en aansluitend arbeidsongeschikt gebleven in verband met zwangerschapsklachten, recidiverende psychische klachten en knieklachten. Vervolgens heeft zij op 27 oktober 2011 een uitkering aangevraagd op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.4.

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij op 22 januari 2008 is uitgevallen door een andere ziekteoorzaak dan waarvoor zij tot 1 maart 2004 een WAO-uitkering heeft ontvangen. Pas met ingang van 10 mei 2010 is er sprake van dezelfde ziekteoorzaak, maar omdat deze datum meer dan vijf jaar na 1 maart 2004 ligt, heeft zij geen recht op heropening van de WAO-uitkering. Verder is haar meegedeeld dat er met ingang van 31 augustus 2010, de datum einde wachttijd in kader van de Wet WIA, evenmin voor haar recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij beslissing op bezwaar van 15 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn eerdere besluit herzien, in die zin dat aan appellante over de periode van 31 augustus 2010 tot 31 maart 2012 alsnog een WGA-loongerelateerde uitkering is toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Met ingang van 31 maart 2012 is deze uitkering beëindigd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 35% was.


1.5.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank naar aanleiding van het door appellante ingestelde beroep overwogen dat, gelet op de formele rechtskracht van het besluit van 10 juli 2006, in rechte vaststaat dat de WAO-uitkering laatstelijk is ingetrokken per 1 maart 2004. De vijfjaarstermijn in het kader van artikel 43a van de WAO is dan ook, volgens de rechtbank, gaan lopen vanaf 1 maart 2004 en niet vanaf 28 januari 2006, zoals door appellante was aangevoerd. Vervolgens heeft de rechtbank ten aanzien van het in artikel 43a van de WAO genoemde criterium van dezelfde oorzaak overwogen dat zij het standpunt van het Uwv in het bestreden besluit, inhoudende dat de toename van de psychische klachten in 2008 niet uit dezelfde oorzaak voortkomt, niet kan volgen. De rechtbank is van oordeel dat, nu er bij appellante sprake is van chronische psychosociale problematiek die regelmatig opspeelt, het Uwv onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen verband bestaat tussen de eerdere en de latere psychische klachten. Daarom heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om dit motiveringsgebrek te herstellen door middel van een aanvullende motivering dan wel intrekking van het bestreden besluit en/of een nieuwe beslissing op bezwaar, op basis van een nieuwe beoordeling in het kader van artikel 43a van de WAO.


1.6.

Het Uwv heeft hierop gereageerd met een nadere onderbouwing van het bestreden besluit bij rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 mei 2013 en een nader schrijven van 13 juni 2013.


1.7.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen geheel in stand gelaten. Hiertoe heeft zij overwogen dat met de nadere motivering van het Uwv het vastgestelde motiveringsgebrek is hersteld. Het Uwv heeft met verwijzing naar artikel 29b van de ZW alsnog voldoende gemotiveerd waarom in 2008 geen sprake kon zijn van toekenning van een WAO-uitkering. Omdat appellante op grond van het dwingendrechtelijk geformuleerde artikel 29b van de ZW recht had op ziekengeld in 2008 kan in het midden blijven of de psychische klachten van betrokkene uit dezelfde ziekteoorzaak voortkomen. Ten aanzien van de WGA-uitkering van appellante heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat deze terecht is beëindigd met ingang van 31 maart 2012. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling en de Functionele Mogelijkhedenlijst van 10 februari 2012. Zij heeft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit op dit punt afdoende inzichtelijk en onderbouwd geacht.


2. In hoger beroep heeft appellante ten eerste aangevoerd dat zij recht heeft op nieuwe toekenning van een WAO-uitkering op grond van artikel 43a van de WAO met ingang van vier weken na 22 januari 2008, omdat sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak. Door de zwangerschap te zien als oorzaak voor de toename van de psychische beperkingen, zodat die toename niet meer voortkomt uit de chronische psychische problematiek, wordt geen recht gedaan aan haar situatie, zo stelt zij. Voorts moet worden uitgegaan van 28 januari 2006 als laatste intrekkingsdatum van de WAO-uitkering en als aanvangsdatum voor de vijfjaarstermijn van dit wetsartikel. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de WGA-uitkering ten onrechte is beëindigd met ingang van 31 maart 2012. De medische beoordeling is onzorgvuldig geweest omdat geen psychiatrisch onderzoek heeft plaatsgevonden terwijl haar huisarts dit wel heeft geadviseerd. De medische beperkingen zijn hierdoor onderschat.


3.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.


3.2.

Met juistheid heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraken overwogen dat de datum van intrekking van de WAO-uitkering, als bedoeld in artikel 43a van de WAO, 1 maart 2004 was en niet 28 januari 2006. Terecht heeft de rechtbank hiertoe gewezen op de formele rechtskracht van het besluit van 10 juli 2006, waarbij het Uwv heeft geweigerd om appellante een WAO-uitkering toe te kennen onder toepassing van artikel 43a van de WAO naar aanleiding van haar ziekmelding van 29 december 2004, omdat haar uitkering op grond van de ZW hoger zou zijn. Gelet op het destijds geldende artikel 43a, vierde lid, onder b, van de WAO vindt immers artikel 43a van de WAO geen toepassing indien artikel 29b van de ZW toepassing kan vinden, tenzij de toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering het ziekengeld overtreft. Het hoger beroep slaagt op dit punt dan ook niet.


3.3.

Zoals ook door de rechtbank overwogen onder overweging 10 in de tussenuitspraak, is tussen partijen niet in geschil dat bij appellante altijd in een bepaalde mate psychische klachten hebben en zullen blijven bestaan, op het ene moment meer op de voorgrond tredend dan op het andere moment. Terecht heeft de rechtbank hierbij gewezen op de rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld uitspraken van 20 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP0012, en van 17 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5276) waarin is overwogen dat bij een dergelijk psychisch ziektebeeld een verhoogde kans bestaat dat een recidief optreedt en dat het in dergelijke situaties niet zonder meer in de rede ligt om - bij exacerbaties dan wel recidieven - niet uit te gaan van dezelfde ziekteoorzaak. Nu op grond van vaste rechtspraak van de Raad (onder meer: uitspraak van 19 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8576) buiten twijfel dient te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere oorzaak, waarbij de bewijslast rust op degene die stelt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en latere uitval, heeft de rechtbank terecht bij de tussenuitspraak vastgesteld dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft en het Uwv in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.


3.4.

Het Uwv heeft hierop in de beroepsprocedure het standpunt ingenomen dat, als stoppen met medicatie op medisch advies in verband met de zwangerschap leidt tot een toename van klachten en beperkingen, die toename geacht wordt het gevolg te zijn van de zwangerschap in de zin van artikel 29b van de ZW. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv nader toegelicht dat hier sprake is van een kennelijke verschrijving: bedoeld is een verwijzing naar artikel 29a van de ZW en niet naar artikel 29b van de ZW. Nu niet in geschil is dat appellante op medisch advies is gestopt met de medicatie en dat de angstklachten zijn toegenomen, staat daarmee volgens het Uwv vast dat de toename van de angstklachten in 2008 is veroorzaakt door de zwangerschap en dat pas per 10 mei 2010 gesproken kan worden van toegenomen angstklachten ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak, welke datum buiten de vijfjaarstermijn van artikel 43a van de WAO valt.


3.5.

De rechtbank kan niet worden gevolgd in overweging 7 van de aangevallen einduitspraak. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 29b van de ZW, appellante in 2008 recht had op ziekengeld en dat daarom aan artikel 43a van de WAO niet wordt toegekomen en dus in het midden kan blijven of de psychische klachten van appellante uit dezelfde oorzaak voortkomen.


3.6.

Het standpunt van het Uwv, zoals nader toegelicht ter zitting van de Raad, kan evenmin worden gevolgd. Zoals overwogen onder 3.3, is het aan het Uwv om zijn standpunt dat buiten twijfel staat dat sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit een andere oorzaak te onderbouwen. Hierin is het Uwv niet geslaagd. Appellante lijdt immers aan een angststoornis, die in sommige periodes tot meer klachten en beperkingen leidt dan in andere periodes. Op 22 januari 2008 is appellante uitgevallen voor haar werk vanwege gekneusde ribben. De bedrijfsarts heeft op 31 januari 2008 tijdens het spreekuur van appellante vernomen dat naast de klachten aan de ribben ook sprake is van relatieproblemen waardoor zij toegenomen psychische klachten ervaart, waarvoor zij door de huisarts is doorverwezen naar een psycholoog. Op 21 februari 2008 heeft zij het eerste gesprek met de psycholoog gehad. Zij is vanaf maart 2008 de medicatie ten behoeve van de angstklachten gaan afbouwen in verband met haar zwangerschap en ondervond nog een toename van haar angstklachten. Ook na de bevalling in november 2008 namen deze klachten weer toe. De verzekeringsarts heeft haar per 17 maart 2009 arbeidsongeschikt verklaard voor haar eigen/gangbaar werk vanwege onder andere beperkingen ten gevolge van de angststoornis, die volgens de verzekeringsarts niet (langer) voortvloeiden uit zwangerschap/bevalling. Vanwege een nieuwe zwangerschap heeft zij de medicatie opnieuw moeten afbouwen en ook na de bevalling in december 2009 is zij arbeidsongeschikt gebleven vanwege onder meer de angstklachten. Onder deze omstandigheden kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak naar aanleiding van de uitval in januari 2008 noch in de periode daarna tot de arbitrair gekozen datum van 1 mei 2010, niet worden gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, gelet op het ziektebeeld van appellante van een angststoornis waarbij relatief goede periodes worden afgewisseld met slechtere periodes met ernstige(r) beperkingen, niet afdoende kunnen onderbouwen dat de toegenomen angstklachten van appellante voortkomen uit een andere oorzaak, in het bijzonder de zwangerschap. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat, nu appellante op medisch advies is gestopt met de medicatie tijdens de zwangerschap, de toegenomen angstklachten en hiermee samenhangende beperkingen volledig dienen te worden toegeschreven aan de zwangerschap, kan niet worden gevolgd. Ook in deze situatie dienen de toegenomen angstklachten te worden toegeschreven aan de bij appellante bij voortduring aanwezig gebleven onderliggende psychische problematiek in de vorm van een angststoornis.


3.7.

Gelet op het bovenstaande is het Uwv bij het bestreden besluit ten onrechte ervan uitgegaan dat geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak over de periode van 22 januari 2008 tot 10 mei 2010. Nu de datum van 22 januari 2008 ligt binnen de vijfjaarstermijn van artikel 43a van de WAO had het Uwv de toegenomen angstklachten van appellante in de periode vanaf 22 januari 2008 moeten beoordelen in het kader van artikel 43a van de WAO, ervan uitgaande dat een toename van de hiermee samenhangende beperkingen berust op dezelfde ziekteoorzaak. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust.


3.8.

Gelet op het voorgaande is het belang aan beoordeling van de subsidiaire beroepsgrond van appellant ten aanzien van toekenning en beëindiging van de WGA-uitkering komen te ontvallen, nu naar het oordeel van de Raad eerst de aanspraak op een (doorlopende) WAO-uitkering dient te worden beoordeeld.

3.9.

Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv opdracht te geven om het geconstateerde gebrek te herstellen door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen waarbij het Uwv ervan uit dient te gaan dat de toename van de angstklachten en de hieruit voorvloeiende psychische beperkingen sinds 22 januari 2008 voortvloeien uit de angststoornis die heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid van appellante tot 1 maart 2004.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) W. de Braal




ew