Centrale Raad van Beroep, 18-06-2015 / 14-419 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1952

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om herziening. Geen feiten of omstandigheden die voor de uitspraak hebben plaatsgevonden en die appellant voor die uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn en, waren zij bij de Raad eerder bekend zijn geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-18
Publicatiedatum
2015-06-22
Zaaknummer
14-419 AW
Procedure
Herziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Datum uitspraak: 18 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 augustus 2012, 10/294 AW, 10/6969 AW, 11/2061 AW en 12/1056 AW.

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (college)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2012:BX3521).

Het college heeft een reactie op dit verzoek ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 14/4660 AW, plaatsgehad op 7 mei 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. G.E.L.M. de Wit en drs. A.C. van der Meer, psycholoog. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat, en mr. M.H.P. Lucassen. In de zaak 14/4660 AW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij de uitspraak van 2 augustus 2012 heeft de Raad, beslissend op het hoger beroep van verzoeker tegen drie uitspraken van de rechtbank Roermond over 1) de afwijzing van studiefaciliteiten, 2) de vaststelling van een beoordeling en 3) het besluit om verzoeker met ingang van 1 november 2010 ontslag te verlenen, de uitspraken van de rechtbank over de besluiten 1) en 2) bevestigd en de uitspraak van de rechtbank over besluit 3) vernietigd. De Raad heeft, voor zover van belang, zelf in de zaak voorzien en verzoeker alsnog een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 10d:10 en volgende van de CAR/UWO en een na-wettelijke uitkering als bedoeld in artikel 10d:12 en volgende van de CAR/UWO toegekend.


1.2.

Het verzoek om herziening is beperkt tot het oordeel van de Raad over het ontslag, besluit 3). Een eerder verzoek om herziening van het oordeel van de Raad over de besluiten 2) en 3) is bij uitspraak van de Raad van 18 juli 2013 afgewezen.


1.3.

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij niet bekend was met de brief van 3 augustus 2010 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Het college is bij deze brief bericht dat over zijn klacht over een deskundigenoordeel door het Uwv geen inhoudelijk oordeel wordt gegeven. Verzoeker voert voorts aan dat hij door de analyse van zijn werksituatie, zoals gemaakt in het rapport van psycholoog M van 12 november 2014, tot het inzicht is gekomen dat aan het ontslag pestgedrag ten grondslag ligt. Verder betoogt verzoeker dat de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht een aantal misslagen bevat.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.


2.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken uitspraak te openen (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:319).


2.3.

Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden vermeld die voor de uitspraak hebben plaatsgevonden en die hem voor die uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn en, waren zij bij de Raad eerder bekend zijn geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. De door appellant overgelegde brief van 3 augustus 2010 is door hem reeds in het kader van zijn eerste verzoek om herziening ter beoordeling aan de Raad voorgelegd, zonder dat dit tot herziening heeft geleid. Voorts heeft verzoeker al vanaf 2006 het door hem ervaren pestgedrag onder de aandacht gebracht van zijn werkgever. Het rapport van psycholoog M alsmede de andere overgelegde stukken, waarmee verzoeker dit pestgedrag heeft willen onderbouwen, had appellant destijds kunnen inbrengen. De Raad komt tot de slotsom dat verzoeker in feite heeft beoogd een hernieuwde discussie over de zaak te voeren. Zoals onder 2.2 is opgemerkt, is het bijzondere rechtsmiddel van herziening hiervoor niet bedoeld.


2.4.

Nu niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak, dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.


3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD