Centrale Raad van Beroep, 12-06-2015 / 14-161 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1968

Inhoudsindicatie
In het bestreden besluit is geweigerd om appellant, na de wachttijd van vier weken in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. De arbeidsongeschiktheid ligt buiten de 5 jaarstermijn abi artikel 43a WAO. Evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, kan in de onderhavige procedure niet worden toegekomen aan de door appellant voorgestane beoordeling van zijn medische situatie en van de daaruit voor hem voortvloeiende beperkingen. Appellant kan desgewenst een verzoek bij het Uwv indienen tot herziening van die beslissing(en) uit 2006 en/of 2009.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-06-24
Zaaknummer
14-161 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/161 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 november 2013, 13/2996 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 12 juni 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.E. Temmen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 26 maart 2015 en 27 maart 2015 zijn de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Temmen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 2 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissende op het bezwaar van appellant, zijn primaire besluit van 28 februari 2013 gehandhaafd.


1.2.

Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv geweigerd appellant in aansluiting op de wachttijd van vier weken als bedoeld in artikel 39a - lees: 43a - van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met ingang van 25 november 2012 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de WAO.


1.3.

Het bestreden besluit berust op de grond dat de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan appellant uitkering heeft verzocht, te weten een arbeidsongeschiktheid die zou zijn ingetreden op 28 oktober 2012, de dag waarop hij wegens een nieuwe hersenbloeding was opgenomen in het ziekenhuis, is gelegen buiten de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 43a van de WAO. Die termijn is namelijk gaan lopen op 5 maart 2006, de datum met ingang waarvan de eerder aan appellant toegekende WAO-uitkering was ingetrokken omdat hij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van die wet.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.


2.2.

De rechtbank heeft overwogen dat de intrekking van appellants uitkering per 5 maart 2006 - evenals de latere weigering hem met toepassing van artikel 43a van de WAO met ingang van 21 mei 2009 opnieuw voor uitkering in aanmerking te brengen - onherroepelijk is geworden en dat sinds de intrekking per 5 maart 2006 meer dan vijf jaren zijn verstreken tot het moment (28 oktober 2012) waarop appellant zich (weer) toegenomen arbeidsongeschikt acht. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant met toepassing van artikel 43a van de WAO opnieuw uitkering toe te kennen.


2.3.

De rechtbank heeft nog overwogen niet toe te komen aan een beoordeling van de, door deze ter sprake gebrachte, medische situatie van appellant, waarbij de rechtbank erop heeft gewezen dat aan het bestreden besluit ook geen medische beoordeling ten grondslag ligt.


3. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd komt in de kern erop neer dat hij van mening blijft dat hij vanaf het moment waarop hij voor de eerste keer - in 1996 - werd getroffen door een hersenbloeding, in dezelfde medische situatie is blijven verkeren, althans dat zijn medische situatie sindsdien niet is verbeterd. Hij acht zich vanaf 1996 doorlopend volledig arbeidsongeschikt. Het Uwv is ten onrechte bij de eerdere beslissing tot intrekking van zijn WAO-uitkering per 5 maart 2006, alsook bij de weigering hem per 21 mei 2009 opnieuw uitkering toe te kennen, ervan uitgegaan dat hij geen hoger risico loopt opnieuw door een hersenbloeding te worden getroffen dan willekeurige anderen. Zijn aandoening is, aldus appellant, van meet af aan door het Uwv foutief beoordeeld.


4.1.

De Raad oordeelt als volgt.


4.2.

Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting overweegt de Raad, zoals ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, dat in de onderhavige procedure niet kan worden toegekomen aan de door appellant voorgestane beoordeling van zijn medische situatie en van de daaruit voor hem voortvloeiende beperkingen. Aan het bestreden besluit is zodanige beoordeling ook niet ten grondslag gelegd. Indien appellant van mening is dat de eerdere beslissingen van het Uwv met betrekking tot zijn aanspraak op uitkering per 5 maart 2006 en/of per 21 mei 2009, niet juist zijn, kan hij overwegen een verzoek bij het Uwv in te dienen tot herziening van die beslissing(en). Volgens de gemachtigde van appellant zou een dergelijk verzoek inmiddels ook al zijn ingediend.


4.3.

Appellant heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit terecht is uitgegaan van een eerst per 28 oktober 2012 - en niet eerder - opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid. Door appellant wordt voorts niet betwist dat hij bij het intreden van de gestelde arbeidsongeschiktheid op 28 oktober 2012 niet langer WAO-verzekerd was, daar hij geen verzekeringsplichtige arbeid meer heeft verricht en hij ook anderszins voor die wet niet langer verzekerd was. Ten slotte is door de gemachtigde van appellant desgevraagd ook expliciet verklaard dat het Uwv de aanvang van de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 43a van de WAO met juistheid heeft bepaald op 5 maart 2006. Over al deze uitgangspunten verschillen partijen derhalve niet van mening.


4.4.

Gelet op de hiervoor vermelde uitgangspunten, die ook door de Raad juist worden geacht, kan de conclusie niet anders zijn dan dat de in het bestreden besluit vervatte weigering appellant uitkering toe te kennen op de grond dat de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan hij uitkering wenst, is gelegen buiten de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 43a van de WAO, rechtens juist is.


4.5.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) W. de Braal




NK