Centrale Raad van Beroep, 14-01-2015 / 13-400 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:2

Inhoudsindicatie
Weigering terug te komen van intrekking WAO-uitkering. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-14
Publicatiedatum
2015-01-15
Zaaknummer
13-400 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/400 WAO











Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer








Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 december 2012, 12/1441 (aangevallen uitspraak)







Partijen:


[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 14 januari 2015

PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Bij brief van 5 april 2013 heeft appellant gereageerd op het verweerschrift en diverse (medische) stukken in het geding gebracht.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, destijds werkzaam als medewerker in een wasserij, is op 5 december 1990 voor dat werk uitgevallen wegens longklachten ten gevolge van TBC. In verband hiermee zijn hem met ingang van 6 december 1991 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Bij besluit van 11 september 1992 heeft (de voorganger van) het Uwv de AAW- en

WAO-uitkeringen van appellant ingaande 1 oktober 1992 ingetrokken, omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum was afgenomen naar minder dan 15%. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


1.3.

Appellant heeft (de rechtsvoorganger van) het Uwv diverse keren verzocht om terug te komen van het besluit van 11 september 1992. Deze verzoeken zijn afgewezen in verband met het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De afwijzingsbesluiten staan in rechte vast.


1.4.

Bij brief van 18 september 2011 heeft appellant het Uwv opnieuw verzocht om terug te komen van het besluit van 11 september 1992.


1.5.

Bij besluit van 28 oktober 2011, na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 15 februari 2012 (bestreden besluit), heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Awb het verzoek van appellant afgewezen. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe dwingen om terug te komen van het besluit van

11 september 1992.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellant geen nieuwe gegevens heeft ingestuurd met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid op 1 oktober 1992. Om die reden hoefde het Uwv geen nieuw medisch onderzoek te doen en mocht hij het verzoek van appellant afwijzen onder verwijzing naar het besluit van 11 september 1992.


3. In hoger beroep handhaaft appellant, onder inzending van medische gegevens uit 1992 en 2012, zijn standpunt dat hij op en na 1 oktober 1992 arbeidsongeschikt is gebleven en geen arbeid kon verrichten. Hij meent dat het Uwv alsnog een (medisch) onderzoek moet verrichten.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling. Daarbij zal hij, in aansluiting bij de uitspraak van vandaag in de zaak 12/6324 WAJONG-T, ECLI:NL:CRVB:2015:1, zijn eerdere rechtspraak met betrekking tot zaken als deze preciseren.


4.2.1.

Een bestuursorgaan is bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag, dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.


4.2.2.

Anders dan in het verleden werd aangenomen (zie bijvoorbeeld CRvB 21 november 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG5934) wordt aanleiding gevonden om de rechtspraak over doorlopende periodieke aanspraken (vaak ook aangeduid als duuraanspraken) ook van toepassing te achten op geschillen over arbeids(on)geschiktheid waarin door een afwijzende beslissing op een aanvraag in het verleden geen (doorlopende) rechtsbetrekking tussen partijen is ontstaan.


Aanvraag en onderbouwing daarvan


4.3.1.

Een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering moet naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Awb), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.


4.3.2.

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de datum in het verleden waarop het oorspronkelijke besluit betrekking had, is de aanvrager op grond van artikel 4:6 van de Awb gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen.


4.3.3.

Als sprake is van een nieuwe aanvraag zoals een Amber-melding, dan zal de betrokkene feiten of omstandigheden moeten aandragen die deze aanvraag ondersteunen.


4.3.4.

Is sprake van een aanvraag waarbij - ook - voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een eerder besluit, dan moet de aanvrager feiten of omstandigheden vermelden die aanleiding (kunnen) geven tot een ander, voor de aanvrager gunstiger, besluit dan het besluit waarvan herziening wordt gevraagd. Met name zijn hierbij feiten en omstandigheden relevant die - ten minste ook - zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum. De aanvraag moet deugdelijk en toereikend worden onderbouwd en, voor zover mogelijk, worden voorzien van relevant bewijs. Een enkele herhaling van feiten en omstandigheden die bij de beoordeling van de eerdere aanvraag zijn betrokken zal doorgaans niet voldoende zijn om van het Uwv te verlangen om te onderzoeken of er bij het oorspronkelijke besluit ten onrechte niets of te weinig is toegekend en de hierna in 4.4.3 bedoelde belangenafweging te maken.


Onderzoek door het Uwv


4.4.1.

Voor zover de aanvraag ziet op een herziening van een eerder genomen besluit voor het verleden, zal het Uwv moeten beoordelen of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van dat eerdere besluit.


4.4.2.

Voor zover de aanvraag ook als Amber-melding aangemerkt moet worden, zal het Uwv moeten onderzoeken of er aanleiding bestaat in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid een uitkering toe te kennen, te heropenen dan wel te herzien.


4.4.3.

Voor een aanvraag waarbij - ook - voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit geldt dat uitsluitend indien de aanvrager zijn aanvraag deugdelijk en toereikend heeft onderbouwd, door het Uwv moet worden onderzocht of en in hoeverre het oorspronkelijke besluit onjuist was. Indien vervolgens de onjuistheid van het besluit door het Uwv wordt vastgesteld, is het Uwv gehouden een belangenafweging te maken als bedoeld in 4.2.1. Daarbij moet uiteraard rekening worden gehouden met relevante wijzigingen die zich na het oorspronkelijke besluit, tot aan de besluitvorming naar aanleiding van de nieuwe aanvraag, hebben voorgedaan. Voor geschillen waarin ook belangen van derden een rol spelen, bijvoorbeeld wanneer een uitkering op een werkgever wordt verhaald of deze anderszins nadelige financiële gevolgen ondervindt, moeten uiteraard ook die belangen bij de afweging worden betrokken.


4.4.4.

Bij de in 4.4.1 tot en met 4.4.3 genoemde beoordelingen geldt dat de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie en de arbeidskundige situatie op de relevante beoordelingsdatum niet meer (verantwoord) zijn vast te stellen, daarbij in de regel voor risico van de aanvrager kan worden gelaten.


Toetsing door de rechter


4.5.1.

Met betrekking tot de toetsing als omschreven in 4.2.1 wordt nog het volgende nog overwogen.


4.5.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer CRVB 30 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO8674) kunnen in zaken waarop artikel 4:6 van de Awb (analoog) van toepassing is, niet in de beoordeling in (hoger) beroep worden betrokken pas in die fase ingebrachte stukken, die voorafgaand aan het besluit op bezwaar niet bij het bestuursorgaan bekend waren als onderbouwing van reeds in de fase voorafgaand aan het primaire besluit dan wel in de bezwaarfase opgeworpen stellingen. De Raad ziet aanleiding om deze vaste rechtspraak voor zaken over een duuraanspraak nader in te vullen, in die zin dat, indien de aanvraag waarbij is verzocht om herziening voor de toekomst uiterlijk in de bezwaarfase toereikend is gemotiveerd, (ook) in beroep en hoger beroep voor zodanige motivering nadere bewijsstukken kunnen worden aangedragen .


4.5.3.

Daarnaast merkt de Raad op dat uit vaste rechtspraak, en anders dan bijvoorbeeld zou kunnen worden begrepen uit de uitspraak van de Raad van 14 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3111, niet mag worden afgeleid dat voor het benoemen van een deskundige door de rechter nooit ruimte bestaat in een procedure als deze (waarin een duuraanspraak aan de orde is). Denkbaar is immers dat, uiteraard slechts in het geval dat de aanvrager aan zijn in 4.3.4 beschreven bewijslast heeft voldaan, voor de uiteindelijke beoordeling van de beantwoording van de vraag of het eerdere besluit onjuist is, een oordeel van een deskundige onontbeerlijk is.


4.5.4.

In voorkomend geval zal de rechter voorts moeten toetsen of een eventuele Amber-melding door het Uwv juist is beoordeeld.


Toepassing op het voorliggende geval


4.6.1.

Zoals onder 4.3.1 is overwogen, moet een aanvraag als de voorliggende naar zijn strekking worden beoordeeld. De aanvraag van appellant, zoals in bezwaar toegelicht, betrof een verzoek om herziening van het besluit van 11 september 1992 ook voor de toekomst. Vooropgesteld moet worden dat, nu de uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 1992 is ingetrokken en de Wet Amber eerst per 29 december 1995 in werking is getreden, een Amber-beoordeling in deze zaak niet aan de orde is. Verder moet worden vastgesteld dat het Uwv de onder 4.4.3 omschreven beoordeling niet heeft uitgevoerd. Er zijn echter voldoende gegevens beschikbaar om tot een eindoordeel te komen.


4.6.2.

Gelet op 4.5.1 en 4.5.2, moet eerst worden onderzocht of appellant bij zijn aanvraag nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld. Vervolgens moet worden bezien of zijn aanvraag voldoet aan de in 4.3.4 genoemde eisen.


4.6.3.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen heeft appellant volstaan met de mededeling dat hij ziek is gebleven en dat hij niet meer in staat is geweest arbeid te verrichten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat wat appellant ter onderbouwing van zijn aanvraag en zijn bezwaar naar voren heeft gebracht, niet kan worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Voor zover de aanvraag betrekking had op de toekomst, voldeed deze uiterlijk in de bezwaarfase evenmin aan de daaraan te stellen eisen. Appellant heeft immers uiterlijk in de bezwaarfase geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, hoewel geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, aanleiding moesten geven tot nader onderzoek door het Uwv en konden bijdragen aan de overtuiging en het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit waarvan herziening is gevraagd, niet kan worden gehandhaafd voor zover het gaat om eventuele aanspraken vanaf de datum waarop de herhaalde aanvraag is ingediend.


4.6.4.

Nu de aanvraag van appellant niet tijdig toereikend is onderbouwd, worden de pas in hoger beroep door appellant overgelegde gegevens van dr. Jamal Essekelli van 27 januari 2012,

dr. M. Bouchtib van 23 oktober 1992 en van dr. M. El Karimi Med van

23 december 1992 - gegeven de uitgangspunten zoals die in 4.5.2 en 4.5.3 zijn

geformuleerd - niet bij de beoordeling van het hoger beroep van appellant betrokken. Omdat de aanvraag van appellant niet tijdig toereikend is onderbouwd is er - gegeven deze

uitgangspunten - evenmin ruimte om in dit geval een deskundige te benoemen.


4.6.5.

Het Uwv mocht de aanvraag van appellant dan ook afwijzen en het besluit op de aanvraag na bezwaar handhaven. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht in stand gelaten.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6.5 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van de gronden.


4.8.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) G.J. van Gendt




nk