Centrale Raad van Beroep, 01-05-2015 / 13-4647 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:2011

Inhoudsindicatie
Hoger beroep vzv bij de AU de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist is vastgesteld. De medische grondslag van het bestreden besluit wordt onderschreven. Er zijn geen objectief medische gegevens overgelegd die aanleiding geven voor twijfel. Er is voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor appellant.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-01
Publicatiedatum
2015-06-24
Zaaknummer
13-4647 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4647 WIA


Datum uitspraak: 1 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

18 juli 2013, 11/1952 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2015. Appellant is verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 12 maart 2010 wegens nekklachten uitgevallen voor zijn werk als meewerkend teamleider productie in de grafische industrie.


1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 7 februari 2012 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 9 maart 2012 geen recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 9 juli 2012 (bestreden besluit), onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat.


2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.


2.2.

Daaraan is ten grondslag gelegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk heeft beargumenteerd dat in de FML in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. Volgens de rechtbank is er geen aanleiding om aan te nemen dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet juist is vastgesteld. Wel heeft de rechtbank in de arbeidskundige beoordeling aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen, omdat eerst in beroep de signaleringen in de functies van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant volledig van een motivering zijn voorzien. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten, omdat zij deze motivering van de geschiktheid van de geselecteerde functies toereikend achtte.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat. Ten onrechte hebben de verzekeringsartsen geen urenbeperking aangenomen. Voorts stelt appellant dat zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet juist is vastgesteld. Het is aannemelijk dat appellant zijn werkzaamheden al in juli 2009 om medische redenen heeft moeten verminderen. Ten slotte stelt appellant niet in staat te zijn om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.


4.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist is vastgesteld. Appellant heeft in beroep, noch in hoger beroep objectief medische gegevens overgelegd waaruit naar voren komt dat hij wegens overbelasting in juli 2009 minder is gaan werken. De Raad merkt in dit verband nog op dat voor zover appellant de juistheid van de omvang van zijn maatmanarbeid heeft willen aanvechten, dit geen gevolgen kan hebben voor de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 19 oktober 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6448, is voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid de maatmanomvang (uiteindelijk) in het algemeen zonder betekenis.


4.3.

Het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit wordt onderschreven. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd welke beperkingen appellant ondervindt bij het verrichten van arbeid en waarom zijn bezwaren tegen deze vaststelling niet slagen. Het door appellant in beroep overgelegde rapport van verzekeringsarts W.M. van der Boog geeft geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de belastbaarheid van appellant is overschat. De in dit rapport geopperde mogelijkheid om een medische urenbeperking in het geval van appellant te aanvaarden is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder ogen gezien en met inachtneming van de Standaard Verminderde Arbeidsduur toereikend gemotiveerd niet noodzakelijk geacht. Appellant heeft in hoger beroep geen objectief medische gegevens overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan de medische oordeelsvorming.


4.4.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat in beroep voldoende is gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor appellant. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank daarover volledig en maakt die tot de zijne.


4.5.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) M. Crum




JL