Centrale Raad van Beroep, 24-06-2015 / 13-5353 AKW


ECLI:NL:CRVB:2015:2022

Inhoudsindicatie
De brief van 24 juli 2012 dient aangemerkt te worden als een herhaald besluit waartegen geen bezwaar gemaakt kan worden. Terecht heeft de Svb vastgesteld dat in ieder geval in het besluit van 6 december 2001 is vastgesteld dat appellant geen recht op kinderbijslag heeft over de kwartalen in geding, omdat hij destijds niet beschikte over een van belang zijnde verblijfsvergunning.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-06-29
Zaaknummer
13-5353 AKW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5353 AKW

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 augustus 2013, 12/4934 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Aksözek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1. Het geding betreft een mogelijk recht van appellant op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) over de periode van het vierde kwartaal 1998 tot en met het vierde kwartaal van 1999. Met een besluit van 24 juli 2012 heeft de Svb, voor zover van belang, appellant laten weten dat hij geen recht heeft op kinderbijslag over de kwartalen in geding. Hieraan lag ten grondslag dat het recht op kinderbijslag niet kan worden vastgesteld over een periode langer dan vijf jaar geleden. In de beslissing op bezwaar van 29 augustus 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De Svb is bij nader inzien van mening dat de brief van 24 juli 2012 aangemerkt dient te worden als een herhaald besluit waartegen geen bezwaar gemaakt kan worden. Volgens de Svb is er over de kwartalen in geding al een besluit genomen op 6 december 2001 en 11 november 2009.


2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, nu de brief van 24 juli 2012 niet aangemerkt kan worden als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


3.1.

In hoger beroep stelt appellant dat uit de rechtspraak van de Raad volgt dat definitieve besluiten getoetst kunnen worden op mogelijke strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Op grond van zijn individuele situatie wat betreft verblijfsvergunning en inkomen had de Svb de hardheidsclausule dienen toe te passen, volgens appellant.


3.2.

Appellant kan hierin niet worden gevolgd. Terecht heeft de Svb vastgesteld dat in ieder geval in het besluit van 6 december 2001 is vastgesteld dat appellant geen recht op kinderbijslag heeft over de kwartalen in geding, omdat hij destijds niet beschikte over een van belang zijnde verblijfsvergunning. Uit de brief van 24 juli 2012 vloeien geen andere rechtsgevolgen voort dan al zijn voortgevloeid uit het besluit van 6 december 2012. Tegen de brief van 24 juli 2012 kunnen dan ook geen rechtsmiddelen aangewend worden.


3.3.

De rechtspraak waarnaar appellant heeft verwezen, heeft betrekking op een besluit, genomen naar aanleiding van een verzoek aan een bestuursorgaan om een rechtens onaantastbaar besluit te herzien. Daarvan is in dit geding geen sprake. Weliswaar heeft de Svb op 24 juli 2012 ook een besluit genomen waarin appellant is meegedeeld dat het verzoek de eerdere besluiten op het recht op kinderbijslag over de kwartalen in geding te herzien is afgewezen, maar tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Dit besluit staat dan ook niet ter beoordeling.


3.4.

Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat uit de gedingstukken blijkt dat de kinderbijslag voor het derde kwartaal van 1998 al aan appellant is uitbetaald, zodat dit kwartaal buiten de beoordeling valt. En ook blijkt uit de gedingstukken dat appellant in de peildata van het vierde kwartaal van 1998 tot en met het vierde kwartaal van 1999 niet over een verblijfsvergunning beschikte en evenmin in procedure was om een verblijfsvergunning te verkrijgen. Dit betekent dat, voor zover nu bekend, de zogeheten Koppelingswet onverkort op appellant van toepassing was en hij dus niet verzekerd was voor de AKW.


4. Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.


5. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) H.J. Dekker



HD