Centrale Raad van Beroep, 01-06-2015 / 13-6622 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:2041

Inhoudsindicatie
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Terecht oordeel met betrekking tot de, door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangevulde, vaststelling van de belastbaarheid. Uitgaande van de in bezwaar vastgestelde belastbaarheid, moet appellant in staat worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de uiteindelijk door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies. Vanwege de pas in hoger beroep gegeven arbeidskundige toelichting, is er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-01
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
13-6622 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6622 WIA

Datum uitspraak: 1 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 november 2013, 13/3068 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere medische stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.

Desgevraagd heeft het Uwv een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd.

Appellant heeft nadere medische stukken ingediend waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was tot 31 augustus 2008 werkzaam als huishoudelijk medewerker thuiszorg en heeft zich op 1 februari 2011 vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld vanwege knieklachten. Nadien waren ook rug- en psychische klachten aan de orde.


1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 18 december 2012 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 29 januari 2013 geen recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 8 mei 2013 (bestreden besluit), onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen onvoldoende zorgvuldig zijn onderzocht door de verzekeringsartsen van het Uwv en dientengevolge onjuist zijn vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Ter onderbouwing heeft appellant nadere medische stukken overgelegd. Voorts heeft appellant herhaald niet in staat te zijn om de voor hem geselecteerde functies te vervullen van samensteller kunststof- en rubberindustrie en machinebediende inpak-/verpakkingsmachine vanwege een overschrijding van zijn belastbaarheid op de items stof, rook, gassen en dampen, en knielen en hurken.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld geen aanleiding te zien om aan te nemen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld geen grond te zien voor twijfel aan de juistheid van de vaststelling van de belastbaarheid van appellant door de verzekeringsarts, zoals die vaststelling is aangevuld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts heeft appellant gezien op het spreekuur van 20 november 2012 en heeft dossierstudie verricht. Volgens deze arts wordt appellant gehinderd in zijn functioneren door aanhoudende knie- en rugklachten. Zijn bevindingen over de knie- en rugklachten sluiten aan bij de medische gegevens afkomstig van de behandelend sector. Voor deze klachten heeft de verzekeringsarts beperkingen vastgesteld in de FML ten aanzien van omgevingsfactoren, dynamisch handelen en statisch handelen. Met betrekking tot de door appellant genoemde mentale problemen zag de verzekeringsarts bij zijn onderzoek geen aanwijzingen die wijzen op de aanwezigheid van psychopathologie. In zijn optiek kan gesproken worden van spanningsklachten die geen aanleiding geven om beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant vervolgens gezien op de hoorzitting van 2 april 2013. Volgens deze arts is in de FML voldoende rekening gehouden met de knie- en rugklachten van appellant, maar geven de astmaklachten aanleiding om aanvullende beperkingen vast te stellen ten aanzien van koude en hitte en grote temperatuurswisselingen en ten aanzien van prikkelende dampen en gassen en stof. Net als de verzekeringsarts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconstateerd dat geen sprake is van psychopathologie.


4.2.

De in hoger beroep door appellant overgelegde medische stukken geven ook geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank over het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voor onjuist te houden. In zijn rapport van 14 januari 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de bij het hoger beroepschrift overgelegde stukken. De informatie van de behandelend GZ-psycholoog van 6 maart 2013 ligt in lijn met de conclusies van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) dat appellant lijdt aan spanningsklachten en dat geen sprake is van psychopathologie (appellant lijdt volgens de GZ-psycholoog niet aan een depressie maar meldde zich aan met spanningsklachten en sombere buien). Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft deze informatie derhalve geen reden om meer beperkingen aan te nemen. Ten aanzien van de overige, bij het hoger beroepschrift overgelegde stukken van de huisarts en de orthopedische chirurg, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat deze evenmin reden geven om meer beperkingen aan te nemen. Deze informatie over de rug- en knieklachten was al bekend en is al meegewogen in de besluitvorming. De kort voor de zitting overgelegde medische stukken geven evenmin reden om tot een ander oordeel te komen. De inhoud van deze stukken was deels al bekend en heeft deels geen betrekking op de datum in geding.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant in de bezwaarprocedure uiteindelijk vastgestelde belastbaarheid, wordt geoordeeld dat appellant in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de uiteindelijk door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 26 april 2013 geselecteerde functies van inpakker, machinebediende inpak-/verpakkingsmachine en samensteller kunststof- en rubberindustrie. In de arbeidskundige rapporten is voldoende gemotiveerd dat appellant deze functies kan vervullen met inachtneming van zijn beperkingen. De signaleringen zijn naar behoren gemotiveerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat in deze functies geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van appellant op de items stof, rook, gassen en dampen, en knielen en hurken. Desgevraagd heeft deze arbeidsdeskundige in hoger beroep op 6 maart 2015 nog toegelicht dat in overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld dat de incidentele voetbediening in de twee functies behorend tot de SBC-code 271093 ook met de niet dominante voet kan geschieden. Deze toelichting acht de Raad, mede in aanmerking genomen dat het bij de beperking in onderdeel 3.9.4 van de FML gaat om problemen met veelvuldige voetbediening, niet onaanvaardbaar.


4.4.

Gezien hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Nu eerst in hoger beroep voldoende is toegelicht dat appellant, ondanks de signalering op aspect 3.9.4, ook de functie machinebediende inpak-/verpakkingsmachine kan uitoefenen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 490,- in beroep voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 490,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2015.




(getekend) C.W.J. Schoor




(getekend) M. Crum




NK