Centrale Raad van Beroep, 19-06-2015 / 14-1722 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:2071

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Beperkingen van appellante op het psychische vlak niet onderschat.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-19
Publicatiedatum
2015-07-01
Zaaknummer
14-1722 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1722 WIA

Datum uitspraak: 19 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 februari 2014, 13/4864 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden. Het Uwv heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als magazijnmedewerker. Op 19 januari 2011 is zij uitgevallen wegens psychische klachten en klachten ten gevolge van diabetes mellitus. Op 20 maart 2011 heeft appellante een auto-ongeluk gehad, waaraan zij rugklachten en klachten aan de linkerzijde van het lichaam heeft overgehouden. Daarnaast is sprake van financiële en psychosociale problemen. Op 2 oktober 2012 heeft appellante bij het Uwv een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)

aangevraagd.


1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft psycholoog C. Motmans op verzoek van een verzekeringsarts van het Uwv een expertise verricht. Met inachtneming van de mede op de uitkomsten van die expertise berustende conclusies van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek en op grond van een daarna gevolgd arbeidskundig onderzoek, heeft het Uwv bij besluit van 7 februari 2013 aan appellante meegedeeld dat voor haar met ingang van 11 januari 2013 geen recht is ontstaan op een Wet WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante aanvullend beperkt geacht in verband met milde concentratiestoornissen en allergie voor huisstofmijt en pollen. Op basis van de met die aanvullende beperkingen aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de door zijn collega in de primaire fase voor appellante geselecteerde functies beoordeeld. Daarbij heeft hij geconcludeerd dat twee van die functies niet langer geschikt zijn te achten. Op basis van de resterende wel passende functies en enkele bijgeduide functies, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat appellante met het aan die functies te ontlenen verdienvermogen geen inkomensverlies lijdt ten opzichte van haar maatgevende inkomen. Overeenkomstig deze uitkomsten van de heroverweging, heeft het Uwv bij besluit van 9 augustus 2013 (het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.


2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit overwogen dat de verzekeringsartsen van het Uwv bij hun beoordeling rekening hebben gehouden met de beperkingen die psycholoog Motmans bij appellante aanwezig heeft geacht. Naar blijkt uit het verslag van Motmans van 17 december 2012 is bij appellante sprake van een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming. Over de posttraumatische stressstoornis (PTSS), welke diagnose de verzekeringsartsen van het Uwv volgens appellante ten onrechte niet tot uitgangspunt hebben genomen bij hun beoordeling, heeft Motmans, aldus de rechtbank, overwogen dat appellante daarvan (weliswaar) kenmerken vertoont, maar dat haar lijdensdruk niet zodanig is dat zij voldoet aan de criteria van een PTSS.


2.2.

Nu Motmans met haar onderzoeksbevindingen heeft gemotiveerd waarom bij appellante geen sprake is van een PTSS, terwijl sociaal psychiatrisch verpleegkundige S. Westbroek van Indigo, bij wie appellante sinds 25 februari 2013 onder behandeling is en die in zijn brief van 2 juli 2013 als voorlopige diagnose onder meer chronische PTSS heeft vastgesteld, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om bij zijn beoordeling af te wijken van de diagnose van Motmans.


2.3.

De rechtbank heeft voorts ook in het in beroep overgelegde rapport van de Arbo Unie van 10 oktober 2013 geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellante voor de datum in geding vastgestelde belastbaarheid. Daarbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat dit rapport geruime tijd na de datum in geding is opgesteld, dat uit het rapport niet blijkt wat de voor appellante geadviseerde behandeling inhoudt en evenmin blijkt dat appellante deze behandeling volgde op de datum in geding.


2.4.

Gelet hierop, en overwegende dat ook de voor appellante op lichamelijk gebied van toepassing geachte beperkingen geen bedenkingen ontmoeten, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het verzoek van appellante in te willigen om haar door een onafhankelijk deskundige te doen onderzoeken.


2.5.

Ten slotte heeft de rechtbank zich ook kunnen stellen achter de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, waarna het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.


3. Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat zij lijdt aan PTSS. In verband hiermee acht zij zich aanzienlijk ernstiger beperkt dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen. Haar belangrijkste beperking wordt volgens appellante gevormd door een door haar ervaren permanente druk. Deze is zodanig dat zij zich niet in staat voelt deel te nemen aan loonvormende arbeid. Ter onderbouwing van haar opvatting heeft appellante verwezen naar de zich reeds onder de gedingstukken bevindende brief van de haar behandelende sociaal psychiatrisch verpleegkundige Westbroek van 2 juli 2013, terwijl zij daarnaast een tweetal nadere brieven van Westbroek van 19 maart 2014 en 3 maart 2015 in het geding heeft gebracht.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, stelt de Raad in de eerste plaats vast dat in hoger beroep nog slechts de medische grondslag van het bestreden besluit in geding is, en van die medische grondslag nog uitsluitend de beperkingen van appellante op het psychische vlak.


4.3.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van de beschikbare gegevens niet is kunnen blijken dat de psychische beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid op de ter beoordeling voorliggende datum 11 januari 2013 door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat. Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft

aangevoerd, waarvan in het bijzonder de nadruk die zij daarbij heeft gelegd op de diagnose PTSS, voegt de Raad daaraan nog toe dat bij de vraag naar de aanwezigheid en mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten, zoals de Wet WIA, het niet zozeer gaat om de gestelde diagnose, als wel om de in aanmerking genomen arbeidsbeperkingen.


4.4.

De door appellante in hoger beroep nader ingebrachte informatie van Westbroek, bevat geen aanknopingspunten om over de belastbaarheid van appellante op de datum in geding anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Mede in het licht van wat hiervoor onder 4.3 is overwogen over de - beperkte - waarde die in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het algemeen toekomt aan een diagnose als zodanig, kan de enkele door appellante met nadruk gehandhaafde stelling dat zij lijdende is en was aan de aandoening PTSS, niet dienen als een toereikende onderbouwing voor haar opvatting dat zij aanzienlijk ernstiger beperkt is dan aangenomen.


4.5.

Zoals ook het Uwv heeft opgemerkt in zijn brief van 6 mei 2015, in reactie op de nadere informatie van Westbroek, bevatten de beide in hoger beroep overgelegde brieven van deze behandelaar geen gegevens die een nieuw licht werpen op de beoordeling van de voor appellante van toepassing te achten beperkingen op het psychische vlak. Verzekeringsarts bezwaar en beroep G.H. Nagtegaal is in zijn rapport van 11 juli 2013 reeds ingegaan op de bevindingen van Westbroek. Met juistheid is in evenvermelde reactie van 6 mei 2015 opgemerkt dat de brieven van Westbroek van 19 maart 2014 en 3 mei 2015 verwijzen naar de eerder gestelde diagnose en geen nieuwe gegevens bevatten.


5. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellante bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2015.



(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) K. de Jong




HD