Centrale Raad van Beroep, 26-06-2015 / 13-405 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:2089

Inhoudsindicatie
Het Uwv heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:8) een rapport van een verzekeringsarts, een rapport van een arbeidsdeskundige en een aantal bladzijden uit de CBBS Basisinformatie ingezonden. Ondanks de daartoe in de tussenuitspraak uitdrukkelijk gegeven, gedetailleerde, opdracht nader te onderzoeken of en te onderbouwen dat bij een inschakeling van een jobcoach bij de concrete uitoefening van de geselecteerde functies ook een mate van begeleiding, stimulering, motivering, instructie en sturing mogelijk is die in voldoende mate tegemoetkomt aan de specifieke beperkingen van appellant, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dit niet gedaan, omdat dit volgens hem niet noodzakelijk is. Het Uwv heeft dit standpunt gevolgd, daarmee de opdracht van de Raad miskennend. Geconcludeerd moet worden dat het Uwv kennelijk niet in staat is te voldoen aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Vernietiging bestreden besluit. De Raad ziet hierin tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bestreden besluit, waarbij de WAO-uitkering is ingetrokken, te herroepen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-26
Publicatiedatum
2015-07-01
Zaaknummer
13-405 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/405 WAO

Datum uitspraak: 26 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 december 2012, 12/916 WAO (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. Tevens was aanwezig als getuige-deskundige M.A. van der Valk, arbeidsdeskundige.

Bij tussenuitspraak van 9 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:8, (tussenuitspraak) heeft de Raad het Uwv in de gelegenheid gesteld de in de tussenuitspraak omschreven gebreken in de arbeidskundige onderbouwing van het besluit van 25 mei 2012 (bestreden besluit) te herstellen met inachtneming van zijn tussenuitspraak.

Het Uwv heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 maart 2015, een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 maart 2015 en een aantal bladzijden uit de CBBS Basisinformatie ingezonden. Appellant heeft zijn zienswijze op deze rapporten gegeven.

De Raad heeft bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1.1.Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de feiten, waarvan bij de oordeelsvorming wordt uitgegaan, verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.


1.2.

In overweging 4.3 van zijn tussenuitspraak heeft de Raad het volgende overwogen:


“De Raad stelt voorop dat in de situatie van appellant de noodzakelijkheid van een jobcoach expliciet is vastgelegd in de FML. Dit betekent dat bij de selectie van functies rekening moet worden gehouden met de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geformuleerde voorwaarden, zoals vastgelegd in de FML. Vervolgens zal inzichtelijk moeten worden gemaakt dat de geselecteerde functies aan deze voorwaarden voldoen. Daar ligt hier het probleem. Appellant wordt gevolgd in zijn stelling dat het Uwv ter motivering van zijn standpunt dat de voor appellant geselecteerde functies voldoen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML noodzakelijk geachte specifieke voorwaarden voor het persoonlijk en sociaal functioneren in arbeid, te weten de inschakeling van een jobcoach, niet heeft kunnen volstaan met de daarvoor in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven motivering, zoals hiervoor onder 1.7.2 en 1.7.3 weergegeven. Gelet op de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 16 april 2012 gegeven motivering van de noodzakelijke inschakeling van een jobcoach, had het op de weg van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gelegen nader te onderzoeken of en te onderbouwen dat bij inschakeling van een jobcoach bij de concrete uitoefening van de geselecteerde functies ook een mate van begeleiding, stimulering, motivering, instructie en sturing mogelijk is die in voldoende mate tegemoetkomt aan de specifieke beperkingen van appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft dit niet gedaan. Evenmin blijkt uit de summiere functie specifieke motivering of in de geselecteerde functies functionarissen als de meewerkend voorman, de productiecoördinator, de chef, de groepsleider of de assistent coördinator logistiek op de werkvloer in voldoende mate zijn toegerust en door de werkgever gefaciliteerd zijn of kunnen worden om op een regelmatige en zorgvuldige wijze te kunnen voldoen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML vastgelegde voorwaarden voor het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant in arbeid. Ook daarnaar zal nader onderzoek moeten worden verricht en is nadere motivering van het standpunt van het Uwv onontbeerlijk. Dit betekent ook dat de Raad de rechtbank niet volgt in haar oordeel dat, ervan uitgaande dat appellant eerst in aanmerking komt voor een jobcoach als hij daadwerkelijk (betaalde) werkzaamheden gaat verrichten, binnen de geduide functies voldoende ruimte is voor een jobcoach.”


1.3.

Het Uwv is in de gelegenheid gesteld de in de tussenuitspraak vastgestelde gebreken in de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit te herstellen.


1.4.

Het Uwv meent deze gebreken met de in hoger beroep ingediende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 maart 2015 en van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 maart 2015 te hebben hersteld. Appellant deelt deze visie niet.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

In zijn rapport van 13 maart 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er op gewezen dat appellant niet beperkt is geacht op beoordelingspunt 1.9.3 van de FML. Toegelicht is dat bij appellant geen sprake is van een dusdanig psychiatrisch ziektebeeld dat hij is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (met veelvuldig feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd. Volgens het Uwv is daarom de tijdelijke “nood aan een jobcoach om zijn werkzaamheden naar behoren te kunnen verrichten vanwege vermijdend en ontwijkend gedrag en een afhankelijke opstelling” terecht toegevoegd onder beoordelingspunt 1.9.10 van de FML. Als appellant eenmaal geïntroduceerd is op zijn werkplek en nog een tijdje in afnemende mate begeleid kan worden door de jobcoach, is er geen noodzaak voor intensieve begeleiding door een leidinggevende en/of collega’s, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 13 maart 2015.


2.2.

In zijn rapport van 23 maart 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep algemene opmerkingen gemaakt over de taken van de jobcoach, waarbij hij tevens heeft benadrukt dat de “nood aan een jobcoach” van tijdelijke aard is. Vervolgens heeft hij te kennen gegeven dat appellant zelf een beroep kan doen op een jobcoach. Feitelijk gaat het daarbij om de inzet van een (werknemers)werkvoorziening, waarmee bij het onderzoek naar het theoretisch verdienvermogen van appellant rekening mag worden gehouden. Volgens deze arbeidsdeskundige is er nu geen noodzaak nader onderzoek te doen naar de in 2012 geduide functies. Immers, van de werkgever wordt niet verwacht dat deze specifieke begeleiding, stimulering, motivering, instructie en sturing biedt. Dat wordt juist geboden door de jobcoach, zij het - in lijn met het medisch perspectief van appellant: - tijdelijk.


3.1.

De Raad stelt vast dat het Uwv na de tussenuitspraak in essentie heeft volstaan met wat al eerder naar voren is gebracht. Ondanks de daartoe in de tussenuitspraak uitdrukkelijk gegeven, gedetailleerde, opdracht nader te onderzoeken of en te onderbouwen dat bij een inschakeling van een jobcoach bij de concrete uitoefening van de geselecteerde functies ook een mate van begeleiding, stimulering, motivering, instructie en sturing mogelijk is die in voldoende mate tegemoetkomt aan de specifieke beperkingen van appellant, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dit niet gedaan, omdat dit volgens hem niet noodzakelijk is. Het Uwv heeft dit standpunt gevolgd, daarmee de opdracht van de Raad miskennend. Dat geldt uitdrukkelijk ook voor de in de tussenuitspraak aan het Uwv gegeven opdracht nader onderzoek te verrichten ter beantwoording van de vraag of de in de geselecteerde functies aangeduide functionarissen als de meewerkend voorman, de productiecoördinator, de chef, de groepsleider of de assistent coördinator logistiek op de werkvloer in voldoende mate zijn toegerust en door de werkgever gefaciliteerd zijn of kunnen worden om op een regelmatige en zorgvuldige wijze te kunnen voldoen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML vastgelegde voorwaarden voor het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant in arbeid.


3.2.

Geconcludeerd moet worden dat het Uwv kennelijk niet in staat is te voldoen aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Dat leidt de Raad tot de volgende conclusies. Bij het ontbreken van functies die aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen worden gelegd is dat besluit genomen in strijd met de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Daarom dient de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet hierin tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 10 november 2011, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 11 januari 2012 is ingetrokken, te herroepen.


4. De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


5. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu bij deze uitspraak het besluit van 10 november 2011 wordt herroepen wegens aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid, zal het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15 van de Awb worden veroordeeld in de kosten van appellant in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 980,- aan kosten van rechtsbijstand.


6. Tevens ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en op € 1.225,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 20,- in beroep en op € 16,60 in hoger beroep voor gemaakte reiskosten, in totaal € ,- Ten slotte dient het Uwv ook de wegens het verstrekken van medisch inlichtingen gemaakte kosten van psychiater E.D.H. Oor te vergoeden tot een bedrag van € 135,90.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 25 mei 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • - herroept het besluit van 10 november 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 25 mei 2012;
  • - veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van de wettelijke rente zoals onder 4 van deze uitspraak is vermeld;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.357,52
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2015.



(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) R.L. Rijnen



JL