Centrale Raad van Beroep, 28-01-2015 / 13-2290 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:209

Inhoudsindicatie
Vaststelling WIA-dagloon. Appellante heeft niet aangetoond dat werkgeefster ondanks vordering in het refertejaar niet tot uitbetaling van het achterstallige loon is overgegaan. Dit brengt met zich dat niet is gebleken van een loonvordering die in het refertejaar niet tevens inbaar was. Aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, is niet voldaan. Hieruit volgt dat het dagloon op een juiste wijze is berekend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-01-29
Zaaknummer
13-2290 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

13/2290 WIA

Datum uitspraak: 28 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

25 maart 2013, 11/2101 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2014. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is als voorwerkster werkzaam geweest in dienst van [werkgeefster] (werkgeefster). Appellante heeft haar werkzaamheden wegens ziekte gestaakt op

23 april 2009. Bij dagvaarding van 20 juli 2010 heeft appellante van haar werkgeefster onder meer achterstallig loon gevorderd over de periode van januari 2009 tot en met juni 2010. Als gevolg van faillissement van werkgeefster op 31 augustus 2010 is die procedure geschorst. Na opheffing van dat faillissement is de procedure voortgezet. Bij vonnis van 17 oktober 2012 heeft de kantonrechter de vorderingen van appellante toegewezen.


1.2.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft het Uwv appellante met ingang van 21 april 2011 in aanmerking gebracht voor een WGA-uitkering, berekend naar een dagloon van € 70,24. Bij besluit van 1 november 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.


1.3.

Bij besluit van 28 januari 2013 is het Uwv in zoverre tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellante door haar in plaats van een WGA-uitkering een IVA-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellante tegen de hoogte van het dagloon is echter ongegrond verklaard. Volgens het Uwv kunnen de door appellante van haar werkgeefster gevorderde bedragen geen deel uitmaken van de dagloonvaststelling.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank wegens verval van procesbelang het beroep tegen het besluit van 1 november 2011 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 28 januari 2013 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het Uwv bij de berekening van het dagloon terecht uitgegaan van het door appellante gedurende de referteperiode daadwerkelijk genoten loon.


3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het dagloon op een hoger bedrag moet worden vastgesteld, zeker nu het Uwv in het kader van de overnameverplichting ook is uitgegaan van het rechtens geldende loon en de kantonrechter voor een deel van de referteperiode haar loonvordering heeft toegewezen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.


4.2.

Het gaat in dit geding om artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit), voor zover daarin is bepaald:

Onder loon wordt mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Niet in geschil is dat het refertejaar waarover het in aanmerking te nemen loon moest worden berekend liep van

20 april 2008 tot en met 19 april 2009. Evenmin is in geschil dat sprake was van in het refertejaar vorderbaar loon, bestaande uit niet betaalde CAO-loonsverhoging.


4.3.

Uit de tekst van en de Nota van toelichting bij artikel 2, vierde lid, van het Besluit volgt dat de besluitgever toepassing van dit artikelonderdeel slechts aangewezen acht in situaties waarin duidelijk is geworden dat vorderbaar loon in het refertejaar ondanks vordering in dat jaar niet of niet geheel inbaar is gebleken. Het is aan de werknemer om aan te tonen dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever in het refertejaar heeft gemaand het (nog) vorderbare loon aan hem uit te keren en dat deze in gebreke is gebleven het hem toekomende loon volledig uit te betalen. Een schriftelijke weigering van de werkgever is hiervoor niet nodig (zie onder meer CRvB 4 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1653).


4.4.

Appellante heeft bij dagvaarding van 20 juli 2010 achterstallig loon van werkgeefster gevorderd. Daarin heeft zij vermeld dat zij bij brief van 30 juni 2010 aan de kantonrechter in het kader van een procedure tot ontbinding van haar arbeidsovereenkomst het achterstallige loon heeft berekend en gespecificeerd. Hieruit blijkt niet dat appellante werkgeefster in het refertejaar op niet mis te verstane wijze heeft gemaand het nog vorderbare loon aan haar uit te keren.


4.5.

De stelling van appellante dat werkgeefster zich ondanks rappellen niet aan de CAO heeft gehouden, is niet onderbouwd met enig bewijs, zodat ook daaraan geen gewicht wordt toegekend.


4.6.

Ten slotte komt evenmin betekenis toe aan de stelling dat het Uwv in het kader van overneming van achterstallig loon van haar gefailleerde werkgeefster wel is uitgegaan van het rechtens geldende loon. Die stelling ziet er aan voorbij dat voor de vaststelling van de hoogte van een zogenoemde faillissementsuitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet andere regels gelden dan voor de vaststelling van het dagloon op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.


4.7.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat appellante niet heeft aangetoond dat werkgeefster ondanks vordering in het refertejaar niet tot uitbetaling van het achterstallige loon is overgegaan. Dit brengt met zich dat niet is gebleken van een loonvordering die in het refertejaar niet tevens inbaar was. Aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit is niet voldaan. Hieruit volgt dat het dagloon op een juiste wijze is berekend.


4.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom voor zover aangevochten worden bevestigd.


5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, volgt uit artikel 8:73 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) H.J. Dekker






nk