Centrale Raad van Beroep, 03-07-2015 / 12-3514 AW-P


ECLI:NL:CRVB:2015:2092

Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Beoordeeld moet worden of verenigbaar is met Richtlijn 93/104 en Richtlijn 2003/88 dat als rusttijd worden aangemerkt de uren waarin de ambtenaar geen werkzaamheden verricht, maar in verband met zijn functie van hoofdwerktuigkundige verplicht is beschikbaar te zijn om op oproep storingen in de machinekamer te verhelpen. De Raad ziet zich gesteld voor dezelfde beoordeling ten aanzien van de uren waarin de ambtenaar geen werkzaamheden verricht, maar - net als iedere andere schepeling - verplicht is beschikbaar te zijn om bepaalde onmiddellijk noodzakelijke werkzaamheden te verrichten. Uit eerdere arresten van het Hof volgt dat van belang is of het dienstverband de fysieke aanwezigheid van de werknemer op de werkplek vereist. Onduidelijk is of in de voorliggende situaties sprake is van een verplichting van de ambtenaar om tijdens de beschikbaarheidsdienst op de werkplek aanwezig te zijn. De Raad vraagt zich af of ook in dit geval de daadwerkelijk door belanghebbende verrichte arbeidsprestaties buiten beschouwing dienen te blijven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-03
Publicatiedatum
2015-07-03
Zaaknummer
12-3514 AW-P
Procedure
Prejudicieel verzoek
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

12/3514 AW-P

Datum verzoek: 3 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Infrastructuur en Milieu (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C.W.C. van Zon hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 mei 2012, 11/6802 (aangevallen uitspraak).

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zon. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.H.C. van Eck, J.W. Groen en A.M. Rambaran.

OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 5 december 2001 in dienst getreden van het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en werkzaam bij de Rijksrederij. De Rijksrederij is met ingang van 1 juli 2009 ondergebracht bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, dat daarna is opgegaan in het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Appellant werkt als hoofdwerktuigkundige op een schip, de [BB ] (BB), dat inspecties uitvoert op zeevisserijschepen. Het schip heeft gemiddeld 35 vaarperiodes van 104 uur per jaar en daarnaast enkele langere vaarperiodes. De reguliere werkweek van appellant is 40 uur per week. De werktijden van appellant zijn onregelmatig, onder meer vanwege opsporingsactiviteiten. Behalve voor visserij-inspecties wordt het schip ingezet voor taken van de kustwacht, waaronder Search and Rescue. De uren waarin appellant na een oproep werkzaamheden verricht worden uitbetaald als werkuren. Indien ’s nachts werkzaamheden van langer dan een uur worden verricht, geldt een opslag. Voorts ontvangt appellant met ingang van 1 juli 2009 een vaartoelage ter hoogte van 5% van het bruto loon per rustuur, als compensatie voor het feit dat zeevarenden de rusttijd niet thuis kunnen doorbrengen. In 2011 ontving appellant een vaartoelage van ongeveer € 0,88 per rustuur.

1.2. Appellant heeft verzocht om een (hogere) vergoeding over de uren waarin hij beschikbaar dient te zijn om te werken met ingang van het jaar 2001. Bij besluit van de minister van

14 februari 2011 is het verzoek afgewezen.

1.3. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 22 juli 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 22 juli 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant geen aanspraak heeft op de toelage van artikel 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA). Appellant heeft aanspraak op de vaartoelage en hij kan niet tegelijkertijd aanspraak hebben op beide toelagen. De rechtbank acht de minister niet verplicht de beschikbaarheidsdienst als bedoeld in artikel 18a van het BBRA aan appellant op te dragen. Het beroep van appellant op Richtlijn 2003/88/EG van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (Richtlijn 2003/88) heeft de rechtbank verworpen, omdat deze richtlijn op appellant als zeevarende niet van toepassing is. De rechtbank acht Richtlijn 1999/63/EG van 21 juni 1999 inzake de overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden (Richtlijn 1999/63) van toepassing. Overwogen is dat Richtlijn 1999/63 zich beperkt tot het regelen van arbeids- en rusttijden voor zeevarenden en geen regeling bevat voor de vergoeding van daadwerkelijk verrichte werkzaamheden.

3.1. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de uren waarin hij oproepbaar is, als arbeidstijd in de zin van Richtlijn 2003/88 moeten worden aangemerkt, onder verwijzing naar onder andere de arresten van het Hof van 3 oktober 2000, C-303/98, Simap, en 9 september 2003, C-151/02, Jaeger.

3.2. Het standpunt van de minister houdt in dat geen sprake is van beschikbaarheids- of aanwezigheidsdiensten in de zin van de jurisprudentie van het Hof en dat de feitelijke rust- en arbeidstijden binnen de grenzen van zowel Richtlijn 1999/63 als Richtlijn 2003/88 blijven. Ook is gesteld dat Richtlijn 2003/88 hier niet van toepassing is.

Nationale regelgeving


4.1.

Ingevolge artikel 6.1:3 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (Atbv) wordt in hoofdstuk 6 van het Atbv en de daarop berustende bepalingen onder rusttijd verstaan een periode van ten minste 1 uur waarin geen arbeid wordt verricht.


4.2.

Artikel 6.5:2, eerste tot en met derde lid, van het Atbv luidt als volgt.


“1. De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de rusttijd van de zeevarenden van 18 jaar en ouder; ten minste 10 uren bedraagt in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, te rekenen vanaf het begin van de rusttijd.


2. De rusttijd kan worden verdeeld in niet meer dan twee perioden, waarvan één periode een onafgebroken rusttijd van ten minste 6 uren omvat. In dat geval wordt de periode van 24 uren, bedoeld in het eerste lid, berekend vanaf het begin van de langste genoten rusttijd. De tijd tussen twee op elkaar volgende perioden van rust mag niet meer dan 14 uren bedragen.


3. De kapitein organiseert de arbeid zodanig, dat de rusttijd van de zeevarenden van 18 jaar en ouder; ten minste 77 uren bedraagt in elke periode van 7 dagen.”


4.3.

Artikel 6.5:7, eerste en tweede lid, van het Atbv luidt met ingang van 1 december 1998 als volgt.


“1. De kapitein kan afwijken en kan een schepeling verplichten af te wijken van de arbeids- en rusttijden om arbeid te verrichten indien dit noodzakelijk is in verband met de onmiddellijke veiligheid van het schip, de personen aan boord, de lading of het milieu, of bij het geven van hulp aan andere schepen of personen in nood. Van deze afwijking wordt in het scheepsdagboek aantekening gehouden.


2. Zodra de noodsituatie, bedoeld in het eerste lid, voorbij is, zorgt de kapitein er voor dat de schepeling die arbeid heeft verricht in een rustperiode, voldoende rusttijd ter compensatie krijgt.”


Met ingang van 31 december 2004 is de laatste zin van het eerste lid vervallen.


4.4.

Artikel 21, eerste lid, eerste en tweede volzin, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement luidt als volgt.


“Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en van het bepaalde in of krachtens wetten, houdende regels tot beperking van de werktijd, stelt het bevoegd gezag voor de ambtenaren werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een van tevoren bekend gemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werktijden gedurende een bepaalde periode.”


4.5.

Artikel 18a, eerste tot en met zesde lid, van het BBRA luidt als volgt.


“1. Aan de ambtenaar die buiten de werktijden die voor hem gelden krachtens een werktijdregeling als bedoeld in artikel 21 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, ingevolge een schriftelijke aanwijzing van het bevoegd gezag zich regelmatig of vrij regelmatig bereikbaar en beschikbaar moet houden teneinde bij oproep arbeid te gaan verrichten, wordt een toelage toegekend.


2. De toelage bedraagt per uur bereikbaarheid en beschikbaarheid een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel

a. 5% voor de uren op maandag tot en met vrijdag;

b. 10% voor de uren op zaterdag en zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 21, zevende lid, onderdeel a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal 7.


3. De op basis van het tweede lid berekende toelage wordt verhoogd met 100% over de uren waarop aan de opgedragen bereikbaarheid en beschikbaarheid een extra plaatsgebondenheid op of rond de plaats van tewerkstelling is verbonden.


4. In afwijking van het tweede en derde lid kan het bevoegd gezag een vaste toelage toekennen.


5. De toelage, bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld aan de hand van het bepaalde in het tweede en derde lid en de mate waarin de ambtenaar zich ingevolge een schriftelijke aanwijzing van het bevoegd gezag bereikbaar en beschikbaar pleegt te moeten houden. De toelage wordt aangepast indien zich wijzigingen voordoen in de berekeningsgrondslag daarvan.


6. In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen welke het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt.”


Europese regelgeving


5.1.

In artikel 139, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag) was bepaald dat de dialoog tussen de sociale partners op communautair niveau, indien de sociale partners zulks wensen, kan leiden tot contractuele betrekkingen, met inbegrip van overeenkomsten.


5.2.

Artikel 139, tweede lid, van het EG-Verdrag luidde als volgt.


“De tenuitvoerlegging van op communautair niveau gesloten overeenkomsten geschiedt hetzij volgens de procedures en gebruiken die eigen zijn aan de sociale partners en aan de lidstaten, hetzij, voor zaken die onder artikel 137 vallen, op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen, door een besluit van de Raad op voorstel van de Commissie.”


5.3.

Artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 89/391/EEG van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (Richtlijn 89/391) luidt als volgt.


“Deze richtlijn is van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren (industriële, landbouw-, handels-, administratieve, dienstverlenende, educatieve, culturele, vrijetijdsactiviteiten, enz.).”


5.4.

Artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 89/391, luidt als volgt.


“Deze richtlijn geldt niet wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst, bij voorbeeld bij de strijdkrachten of de politie, of aan bepaalde activiteiten in het kader van de bevolkingsbescherming, de toepassing ervan in de weg staan. In dat geval moet ervoor worden gezorgd dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk worden verzekerd, met inachtneming van de doelstellingen van deze richtlijn.”


5.5.

Artikel 1, derde lid, van Richtlijn 93/104/EG van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (Richtlijn 93/104) luidt als volgt.


“Onverminderd artikel 17 is deze richtlijn van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren in de zin van artikel 2 van Richtlijn 89/391/EEG, met uitzondering van het weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer, de binnenvaart, de zeevisserij, andere activiteiten op zee, alsmede de activiteiten van artsen in opleiding.”


5.6.

Artikel 2, aanhef en onder 1 en 2, van Richtlijn 93/104 luidt als volgt.


“Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. arbeidstijd: de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken;

2. rusttijd: de tijd die geen arbeidstijd is.”


5.7.

Artikel 3 van Richtlijn 93/104 luidt als volgt.


“De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen opdat alle werknemers in elk tijdvak van vierentwintig uur een rusttijd van ten minste elf aaneengesloten uren genieten.”


5.8.

Artikel 5 van Richtlijn 93/104 luidt als volgt.


“De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen opdat alle werknemers voor elk tijdvak van zeven dagen een ononderbroken minimumrusttijd van vierentwintig uren genieten waaraan de in artikel 3 bedoelde elf uren dagelijkse rusttijd worden toegevoegd.”


5.9.

Artikel 6 van Richtlijn 93/104 luidt als volgt.


“De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen opdat in verband met de noodzakelijke bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers:

1. de wekelijkse arbeidstijd via wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of via collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners wordt beperkt;

2. de gemiddelde arbeidstijd in elk tijdvak van zeven dagen, inclusief overwerk, niet meer dan achtenveertig uren bedraagt.”


5.10.

Artikel 1 van Richtlijn 1999/63 luidt als volgt.


“Deze richtlijn beoogt de uitvoering van de overeenkomst (in de versie van bijlage dezes) betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, die op 30 september 1998 door de werkgevers- en werknemersorganisaties van de maritieme sector (ECSA en FST) is gesloten.”


5.11.

In clausule 1, eerste lid, eerste volzin, van de Bijlage "Europese overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden" (Overeenkomst) bij Richtlijn 1999/63 is bepaald dat deze overeenkomst van toepassing is op zeevarenden op elk zeeschip, ongeacht of het staats- of particulier eigendom is, dat geregistreerd staat op het grondgebied van een lidstaat en gewoonlijk gebruikt wordt in de handelsscheepvaart.


5.12.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, van clausule 1 van de Overeenkomst beslist de bevoegde autoriteit van de betreffende lidstaat of schepen als gebruikt voor de handelsscheepvaart worden beschouwd.


5.13.

In overweging 10 van de considerans van Richtlijn 1999/63 is vermeld

dat de Overeenkomst van toepassing is op zeevarenden op elk zeeschip, ongeacht of het staats- of particulier eigendom is, dat geregistreerd staat op het grondgebied van een lidstaat en gewoonlijk gebruikt wordt in de handelsscheepvaart.


5.14.

Artikel 1, derde lid, van Richtlijn 2003/88 - welke Richtlijn 1999/63 vervangt - luidt als volgt.


“Onverminderd de artikelen 14, 17, 18 en 19 is deze richtlijn van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren in de zin van artikel 2 van Richtlijn 89/391/EEG. Onverminderd artikel 2, punt 8, is deze richtlijn niet van toepassing op zeevarenden als omschreven in Richtlijn 1999/63/EG.”


5.15.

Artikel 2, aanhef en onder 1 en 2, van Richtlijn 2003/88 luidt als volgt.





“Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. arbeidstijd: de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken;

2. rusttijd: de tijd die geen arbeidstijd is.”


5.16.

Artikel 3 van Richtlijn 2003/88 luidt als volgt.


“De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat alle werknemers in elk tijdvak van vierentwintig uur een rusttijd van ten minste elf aaneengesloten uren genieten.”


5.17.

Artikel 5 van Richtlijn 2003/88 luidt als volgt.


“De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat alle werknemers voor elk tijdvak van zeven dagen een ononderbroken minimumrusttijd van vierentwintig uren genieten waaraan de in artikel 3 bedoelde elf uren dagelijkse rusttijd worden toegevoegd. Indien objectieve, technische of arbeidsorganisatorische omstandigheden dit rechtvaardigen, kan voor een minimumrusttijd van vierentwintig uren worden gekozen.”


5.18.

Artikel 6, aanhef en onder a en b, van Richtlijn 2003/88 luidt als volgt.


“De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat in verband met de noodzakelijke bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers:

a) de wekelijkse arbeidstijd via wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of via collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners wordt beperkt;

b) de gemiddelde arbeidstijd in elk tijdvak van zeven dagen, inclusief overwerk, niet meer dan achtenveertig uren bedraagt.”


5.19.

In overweging 12 van de considerans van Richtlijn 2003/88 is verwezen naar Richtlijn 1999/63 en artikel 139, tweede lid, van het EG-Verdrag en vermeld dat bijgevolg de bepalingen van de onderhavige richtlijn niet op zeevarenden van toepassing dienen te zijn.


Overige internationale regelgeving


6. Artikel 7, eerste tot en met derde lid, van Convention C180 concerning Seafarers’ Hours of Work and the Manning of Ships (ILO-conventie 180) luidt als volgt.


“1. Nothing in this Convention shall be deemed to impair the right of the master of a ship to require a seafarer to perform any hours of work necessary for the immediate safety of the ship, persons on board or cargo, or for the purpose of giving assistance to other ships or persons in distress at sea.

2. In accordance with paragraph 1, the master may suspend the schedule of hours of work or hours of rest and require a seafarer to perform any hours of work necessary until the normal situation has been restored.

3. As soon as practicable after the normal situation has been restored, the master shall ensure that any seafarers who have performed work in a scheduled rest period are provided with an adequate period of rest.”


Vragen over de uitleg van het Unierecht


7.1.

In het voorliggende geding dient te worden beslist of appellant over de periode van 2001 tot 2010 recht heeft op een (hogere) vergoeding voor de uren waarin hij geen werkzaamheden heeft verricht, maar beschikbaar is geweest op oproep of onder bijzondere omstandigheden werkzaamheden te verrichten.


7.2.

De Raad is tot de conclusie gekomen dat appellant, beoordeeld naar het nationale (ambtenaren)recht, geen recht heeft op een (hogere) vergoeding. De onder 7.1 bedoelde uren dienen te worden beschouwd als rusttijd in de zin van artikel 6.5:2 van het Atbv in verbinding met artikel 6.1:3 van het Atbv. Voorts kan appellant geen aanspraken ontlenen aan artikel 18a van het BBRA, omdat - hetgeen de rechtbank terecht heeft geoordeeld - de minister niet gehouden kan worden geacht appellant beschikbaarheidsdiensten op te dragen, aangezien het verhelpen van storingen behoort tot de functieomschrijving van appellant.


7.3.

Voor de beslissing in het onderhavige geding is dan relevant of op grond van het Unierecht de onder 7.1 bedoelde uren als arbeidstijd moeten worden beschouwd.



Toepassingsbereik van de Richtlijnen 93/104, 1999/63 en 2003/88


8.1.

Bezien moet worden of Richtlijn 1999/63 van toepassing is en, zo nee, of Richtlijn 2003/88 en - over de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van Richtlijn 2003/88 - Richtlijn 93/104 van toepassing zijn.


8.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat Richtlijn 1999/63 van toepassing is, omdat de arbeidsomstandigheden van appellant in belangrijke mate overeenkomen met die op grote schepen in de handelsvaart en het de bedoeling van de partijen bij de Overeenkomst was dat de specifieke omstandigheden aan boord van een zeeschip bepalend zijn voor de werkingssfeer.


8.3.

Appellant heeft gesteld dat Richtlijn 2003/88 van toepassing is omdat het schip niet gewoonlijk wordt gebruikt voor de handelsscheepvaart. De minister stelt dat Richtlijn 93/104 en Richtlijn 2003/88 niet van toepassing zijn. Volgens de minister krijgt Richtlijn 1999/63 als lex specialis de voorrang boven Richtlijn 2003/88. Richtlijn 1999/63 is geïmplementeerd bij het Atbv en kan alleen worden ingeroepen als deze niet is geïmplementeerd.


8.4.

Naar de Raad voorkomt is Richtlijn 1999/63 niet van toepassing, omdat het schip waarop appellant werkt, niet gewoonlijk wordt gebruikt voor de handelsscheepvaart. Met het schip worden immers visserij-inspecties en Search-and-Rescuetaken uitgevoerd, die niet onder de handelsscheepvaart lijken te kunnen worden geschaard.


8.5.

Voor de vaststelling van de reikwijdte van Richtlijn 1999/63 kan voorts van belang worden geacht - hetgeen appellant heeft gesteld - dat partijen bij de Overeenkomst wel de bij een vakbond aangesloten werknemers (en werkgevers) in de handelsscheepvaart vertegenwoordigen en niet de bij een vakbond aangesloten Rijksambtenaren. De considerans van Richtlijn 1999/63 verwijst in overweging 2 naar artikel 139, tweede lid, EG-Verdrag, dat ziet op de tenuitvoerlegging van overeenkomsten gesloten tussen sociale partners op communautair niveau.


8.6.

Een voorwaarde voor toepassing van Richtlijn 93/104 en Richtlijn 2003/88 is dat de verrichte diensten binnen de werkingssfeer van de basisrichtlijn, Richtlijn 89/391, vallen. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 89/391 geldt deze richtlijn niet wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst, bijvoorbeeld bij de strijdkrachten of de politie of aan bepaalde activiteiten in het kader van de bevolkingsbescherming, de toepassing ervan in de weg staan. In het arrest Simap heeft het Hof overwogen dat onder normale omstandigheden de activiteiten van artsen van de ploegen voor eerstelijnszorg niet met dergelijke activiteiten kunnen worden gelijkgesteld. Artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 89/391 betreft een uitzondering op de werkingssfeer die restrictief moet worden uitgelegd. In het arrest van 14 juli 2005, C-52/04, Personalsrat der Feuerwehr Hamburg, concludeerde het Hof dat de activiteiten van publieke brandweerdiensten binnen de werkingssfeer van de basisrichtlijn vallen voor zover de activiteiten onder normale omstandigheden worden verricht. Het Hof overwoog in zijn arrest van 21 oktober 2010,

C-227/09, Accardo, dat de gemeentepolitie onder normale omstandigheden binnen de werkingssfeer van de basisrichtlijn valt. Het komt de Raad voor dat de diensten van het schip waarop appellant werkzaam is, binnen de werkingssfeer van Richtlijn 89/391 vallen.


8.7.

In artikel 1, derde lid, van Richtlijn 93/104 zijn uitdrukkelijk - onder meer - zeevervoer, zeevisserij en andere werkzaamheden op zee van het toepassingsbereik uitgesloten. Bij de beantwoording van de vraag of de werkzaamheden van appellant op grond van deze bepaling van het toepassingsbereik zijn uitgesloten, lijkt het aan te komen op de uitleg van de begrippen zeevervoer, zeevisserij en andere werkzaamheden op zee.


8.8.

In het arrest van 5 oktober 2004, C-397/01, Pfeiffer, heeft het Hof beslist dat werkzaamheden van ambulancehulpverleners in het kader van medische spoedhulp niet vallen onder de uitsluiting van het wegvervoer in Richtlijn 93/104. Het Hof overwoog dat de omstandigheid dat deze activiteit voor een gedeelte bestaat in het gebruik van een urgentiewagen en in de begeleiding van de patiënt tijdens zijn vervoer naar het ziekenhuis, niet beslissend is, aangezien de betrokken activiteit tot hoofddoel heeft medische spoedhulp te verlenen aan een zieke of gewonde en niet om een handeling te verrichten die tot de sector van het wegvervoer behoort. In het arrest van 4 oktober 2001, C-133/00, Bowden, concludeerde het Hof dat alle werknemers in de wegvervoersector, met in begrip van het kantoorpersoneel, van het bereik van de richtlijn zijn uitgesloten. De zaak betrof het recht op betaald verlof van administratief medewerkers van een pakketbezorgingsbedrijf.


8.9.

De jurisprudentie van het Hof geeft volgens de Raad onvoldoende duidelijkheid om de voorliggende situatie te kunnen beoordelen. Niettemin lijkt het met de genoemde jurisprudentie in overeenstemming indien ook in dit geval zou worden aangenomen dat Richtlijn 93/104 en Richtlijn 2003/88 van toepassing zijn. Het toepassingsbereik van Richtlijn 2003/88 lijkt (nog) ruimer dan 93/104, omdat Richtlijn 2003/88 anders dan zijn voorganger 93/104 in artikel 1, derde lid, geen bepaling kent die uitdrukkelijk - onder meer - zeevervoer, zeevisserij en andere werkzaamheden op zee uitsluit.


8.10.

Opgemerkt wordt dat de Commissie verzoekschriften van het Europese Parlement in een vergelijkbare situatie toepasselijkheid van Richtlijn 2003/88 heeft aangenomen. In de Mededeling van 20 september 2013 (1687/2012) is vermeld dat de Commissie verzoekschriften ervan uitgaat dat zeevarenden die in overheidsdienst werkzaam zijn op schepen van de krijgsmacht, onder het bereik van Richtlijn 2003/88 vallen.


Rechtstreekse werking


9.1.

In het geval dat moet worden geconcludeerd dat de situatie van appellant niet binnen het toepassingsbereik van Richtlijn 1999/63 ligt, maar wel binnen het toepassingsbereik van Richtlijn 2003/88 en Richtlijn 93/104, dient vervolgens te worden bezien of in het onderhavige geding de artikelen 3, 5 en 6 van Richtlijn 93/104 en de artikelen 3, 5 en 6 van Richtlijn 2003/88 door appellant rechtstreeks kunnen worden ingeroepen.


9.2.

In het arrest Pfeiffer (r.o.102-106) en het arrest van 25 november 2010, C-429/09, Fuss, (r.o.35) van het Hof is beslist dat de bepaling van artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 93/104 en artikel 6, onder b, van Richtlijn 2003/88 aan alle voorwaarden voldoet voor rechtstreekse werking.


9.3.

Het komt de Raad voor dat voor de artikelen 3 en 5 van Richtlijn 93/104 en de artikelen 3 en 5 van Richtlijn 2003/88 evenzeer als voor artikel 6, onder b, van Richtlijn 2003/88 geldt dat deze inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn bepaald.


9.4.

In de hiervoor onder 9.2 genoemde overwegingen van het arrest Pfeiffer heeft het Hof beslist dat de beoordelingsmarge die de lidstaten hebben bij de vaststelling van maatregelen die uitvoering geven aan artikel 6 van Richtlijn 93/104, niet afdoet aan het nauwkeurige en onvoorwaardelijke karakter van artikel 6, tweede lid, van deze richtlijn. Op basis van de artikelen 16, 17 en 18 van Richtlijn 93/104 de artikelen 16 tot en met 22 van Richtlijn 2003/88 is een lidstaat onder voorwaarden bevoegd referentieperioden vast te stellen, respectievelijk af te wijken van één of meer bepalingen van de artikelen 3, 4, 5, 6, 8 en 16 van deze richtlijnen. De Raad constateert dat in het Atbv of andere nationaalrechtelijke bepalingen, voor zover relevant voor het onderhavige geschil, geen referentieperioden of afwijkingen als bedoeld in de artikelen 16, 17 en 18 van Richtlijn 93/104 en de artikelen 16 tot en met 22 van Richtlijn 2003/88 zijn vastgesteld. Daaruit volgt dat de minimale bescherming die de ingeroepen bepalingen bieden, precies kan worden vastgesteld.


9.5.

Uit het voorgaande lijkt te volgen dat in het onderhavige geding de genoemde richtlijnbepalingen door appellant kunnen worden ingeroepen.


Arbeids- en rusttijden


10.1.

De Raad ziet zich, uitgaande van rechtstreekse werking, vervolgens gesteld voor de vraag of de regeling op grond waarvan de arbeids- en rusttijden van appellant zijn vastgesteld, verenigbaar is met Richtlijn 93/104 en Richtlijn 2003/88.


10.2.

De vraag heeft betrekking op twee situaties waarin appellant onder omstandigheden verplicht is werkzaamheden te verrichten. De eerste situatie betreft de uren waarin appellant geen werkzaamheden verricht, maar in verband met zijn functie van hoofdwerktuigkundige verplicht is beschikbaar te zijn om op oproep storingen in de machinekamer te verhelpen. De andere situatie betreft de uren waarin appellant geen werkzaamheden verricht, maar - net als iedere andere schepeling - verplicht is beschikbaar te zijn om - kort gezegd - bepaalde onmiddellijk noodzakelijke werkzaamheden te verrichten. De Raad zal eerst ingaan op de eerste situatie.


10.3.

Arbeidstijd is gedefinieerd in artikel 2, onder 1, van Richtlijn 2003/88.

In het arrest Simap heeft het Hof overwogen dat de begrippen arbeidstijd en rusttijd elkaar uitsluiten. Tevens heeft het Hof geconcludeerd dat de diensttijd die de Spaanse artsen in de teams voor eerstelijnszorg volbrengen, en waarbij hun fysieke aanwezigheid in het gezondheidscentrum is vereist, in zijn geheel als arbeidstijd in de zin van Richtlijn 93/104 moet worden beschouwd, ongeacht de daadwerkelijke door de betrokkene verrichte arbeidsprestaties. In het arrest Jaeger heeft het Hof als zijn oordeel gegeven dat deze conclusie tevens geldt voor de beschikbaarheidsdienst die volgens een soortgelijk systeem door een arts als Jaeger wordt volbracht. In Simap heeft het Hof daaraan toegevoegd dat wanneer de artsen tijdens de wachtdiensten permanent bereikbaar moeten zijn, enkel de tijd die verbonden is aan het werkelijk verrichten van prestaties van eerstelijnszorg als arbeidstijd worden beschouwd.


10.4.

Twijfel is mogelijk of de aan de jurisprudentie van het Hof te ontlenen criteria ook hebben te gelden voor de situatie van appellant, die werkt op schepen waarmee

visserij-inspecties op zee worden uitgevoerd. De genoemde jurisprudentie heeft betrekking op arbeids- en rusttijden van personen werkzaam in de gezondheidszorg. Ook het arrest van

1 december 2005, C-14/04, Dellas, dat ziet op werknemers in de medisch-sociale hulpverlening, en de beschikking van het Hof van 11 januari 2007, C-437/05, Vorel, die ziet op artsen in opleiding en ambulancemedewerkers, hebben betrekking op personen werkzaam in de gezondheidszorg. De situatie van appellant als zeevarende is echter in verschillende opzichten niet zonder meer op één lijn te stellen met de situaties zoals die in deze jurisprudentie aan de orde waren.


10.5.

Ten eerste valt te betwijfelen of appellant tijdens de beschikbaarheidsdienst verplicht is op de werkplek aanwezig te zijn. Enerzijds kan worden betoogd dat van deze verplichting geen sprake is, nu appellant op het schip over een eigen hut beschikt. In de hut bevindt zich een alarmbel die afgaat wanneer appellant wordt opgeroepen. Voorts is niet uitgesloten dat de aanwezigheid van een eigen hut op het schip ertoe leidt dat de beschikbaarheidsdienst in aanzienlijke mate minder belastend is in vergelijking met de beschikbaarheidsdiensten als aan de orde in de jurisprudentie. Anderzijds kan worden betoogd dat - net als in de situaties die in de jurisprudentie aan de orde zijn - de mogelijkheid van appellant om te slapen tijdens zijn beschikbaarheidsdienst er niet aan afdoet dat deze diensttijd tot de arbeidstijd behoort. In deze visie kan het beschikken over een hut hier op één lijn worden gesteld met de rustkamer waarover kan worden beschikt door de arts, op wie het arrest Jaeger betrekking heeft, en waarin deze arts mag verblijven zolang geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd. Het Hof oordeelde in dit arrest dat de beschikbaarheid van een rustkamer niet afdoet aan de conclusie dat perioden van beschikbaarheidsdienst de kenmerken van arbeidstijd vertonen.


10.6.

Ten tweede wijst de Raad erop dat de frequentie van de oproepen lager en de tijd die na een oproep daadwerkelijk door appellant is gewerkt, gemiddeld aanzienlijk korter lijken dan aan de orde is in de genoemde jurisprudentie van het Hof. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant gemiddeld één maal per week tijdens rusturen wordt opgeroepen. Het verhelpen van de storingen in de machinekamer neemt dan ongeveer één tot drie uur in beslag. Appellant heeft een afspraak met de tweede werktuigkundige dat zij beurtelings een nacht oproepbaar zijn. De Raad vraagt zich af of ook onder deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat de diensttijd van appellant in zijn geheel als arbeidstijd moet worden beschouwd, ongeacht de daadwerkelijk door hem verrichte arbeidsprestaties.


10.7.

De tweede situatie heeft betrekking op de uren waarin appellant geen werkzaamheden verricht, maar verplicht is beschikbaar te zijn om op aangeven van de kapitein werkzaamheden te verrichten indien dit noodzakelijk is in verband met de onmiddellijke veiligheid van het schip, de personen aan boord, de lading of het milieu of bij het geven van hulp aan andere schepen of personen in nood. Nagegaan dient te worden of deze uren als rusttijd moeten worden aangemerkt. Op grond van artikel 6.5:7 Atbv is de kapitein onder de genoemde omstandigheden bevoegd af te wijken van de arbeids- en rusttijden. De bevoegdheid van de kapitein om in deze omstandigheden werkzaamheden op te dragen is erkend in artikel 7 van ILO-conventie 180, welke conventie in de periode in geding geldend was voor Nederland.


10.8.

De Raad twijfelt of moet worden gezegd dat deze bijzondere bevoegdheid meebrengt dat appellant verplicht is (permanent) op zijn werkplek aanwezig en beschikbaar te zijn. Van belang is dat het schip, naast zijn hoofdtaak om visserij-inspecties uit te voeren, bijkomende kustwachttaken verricht, waaronder het meewerken aan operaties die tot doel hebben op zee vermiste personen terug te vinden (Search and Rescue). Het aanvaarden van de conclusie dat de genoemde bevoegdheid meebrengt dat de uren, waarin schepelingen in verband daarmee verplicht zijn (permanent) op de werkplek aanwezig en beschikbaar te zijn, als arbeidstijd dienen te worden beschouwd, zou er evenwel toe leiden dat geen enkel uur dat schepelingen aan boord van het schip doorbrengen, nog als rusttijd zou kunnen worden aangemerkt.


10.9.

In het geval tot de conclusie zou moeten worden gekomen dat uren waarin appellant in de hiervoor bedoelde situaties oproepbaar of (permanent) beschikbaar was, als arbeidstijd dienen te worden aangemerkt, komt het erop aan of de minimale rusttijden in acht zijn genomen. Het komt de Raad voor - hetgeen door de minister niet is bestreden - dat in dat geval moet worden aangenomen dat, gelet op de dagen waarop appellant oproepbaar of beschikbaar is geweest, de dagelijkse en wekelijkse (gemiddelde) rusttijden niet in acht zijn genomen.


11. De hiervoor weergegeven overwegingen geven de Raad dan ook aanleiding vragen voor te leggen aan het Hof met betrekking tot de uitleg van de artikelen 3, 5 en 6 van Richtlijn 93/104 en de artikelen 3, 5 en 6 van Richtlijn 2003/88.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- verzoekt het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU uitspraak te doen over de volgende vragen:


1. Moeten artikel 1 van Richtlijn 1999/63/EG en clausule 1, eerste lid, van de Bijlage "Europese overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden" aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn en deze overeenkomst van toepassing zijn op een ambtenaar die werkzaamheden verricht in dienst van de Rijksrederij en die deel uitmaakt van de bemanning van een schip waarmee visserij-inspecties worden uitgevoerd?


2. Moeten, indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, artikel 2 van Richtlijn 89/391/EEG, artikel 1, derde lid, en artikel 2, aanhef en onder 1 en 2, van Richtlijn 93/104/EG, en artikel 1, derde lid, en artikel 2, aanhef en onder 1 en 2, van Richtlijn 2003/88/EG aldus worden uitgelegd dat Richtlijn 93/104/EG en Richtlijn 2003/88/EG van toepassing zijn op de in

vraag 1 bedoelde ambtenaar?


3. Moeten de artikelen 3, 5 en 6 van richtlijn 93/104/EG en de artikelen 3, 5 en 6 van richtlijn 2003/88/EG aldus worden uitgelegd dat deze in de weg staan aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan als rusttijd worden aangemerkt de uren waarin de in vraag 1 bedoelde ambtenaar tijdens de vaart geen werkzaamheden verricht maar waarin hij verplicht is beschikbaar te zijn om op oproep werkzaamheden te verrichten teneinde storingen in de machinekamer te verhelpen?


4. Moeten de artikelen 3, 5 en 6 van richtlijn 93/104/EG en de artikelen 3, 5 en 6 van richtlijn 2003/88/EG aldus worden uitgelegd dat deze in de weg staan aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan als rusttijd worden aangemerkt de uren waarin de in vraag 1 bedoelde ambtenaar tijdens de vaart geen werkzaamheden verricht maar waarin hij verplicht is op aangeven van de kapitein werkzaamheden te verrichten indien dit noodzakelijk is in verband met de onmiddellijke veiligheid van het schip, de personen aan boord, de lading of het milieu of bij het geven van hulp aan andere schepen of personen in nood?


- houdt de verdere behandeling van het geding aan totdat het Hof uitspraak zal hebben gedaan.










Dit verzoek is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, met P. Boer als griffier.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) P. Boer


IvR