Centrale Raad van Beroep, 24-06-2015 / 14-1919 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:2102

Inhoudsindicatie
Anticumulatie. Terugwerkende kracht. Terugvordering. Appellante heeft werkzaamheden verricht als depothoudster, waarvoor zij inkomsten heeft ontvangen. Niet kan worden geoordeeld dat het beleid niet consistent is toegepast.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-1919 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1919 WAO

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

25 februari 2014, 13/2658 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De enkelvoudige kamer van de Raad heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aarnoudse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellante is met ingang van 13 januari 1988 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 18 april 2013 bepaald dat de WAO-uitkering van appellante onder toepassing van artikel 44 van die wet in de periode van 1 januari 2007 tot 14 oktober 2011 naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid wordt uitbetaald. Tevens is bij dit besluit de over deze periode naar de mening van het Uwv onverschuldigd betaalde

WAO-uitkering ten bedrage van € 22.249,51 (bruto) van appellante teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 7 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 april 2013 ongegrond verklaard. Hieraan is onder meer ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 1 september 2002 gedurende zes dagen per week, twee uren per dag, werkzaamheden als depothoudster heeft verricht bij [naam werkgever]. Anders dan over de periode van 1 september 2002 tot en met 31 december 2006 zijn over de periode 1 januari 2007 tot 14 oktober 2011 voldoende gegevens beschikbaar om de hoogte van de inkomsten uit arbeid vast te stellen, wat heeft geleid tot toepassing van artikel 44 van de WAO over die periode. Onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts van

23 september 2003, een rapport van een arbeidsdeskundige van 21 oktober 2003, en het door appellante ondertekende vragenformulier van 17 september 2004, heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellante meermalen heeft verzuimd te kennen te geven dat zij werkzaamheden heeft verricht bij [naam werkgever] en inkomsten uit arbeid heeft genoten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat zij als depothoudster enkel toezichthoudende taken heeft verricht en haar familieleden de zware werkzaamheden op zich hebben genomen. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij aan de op haar rustende inlichtingenplicht heeft voldaan, nu zij op het formulier van 30 mei 2003 heeft vermeld dat zij twee uur per week activiteiten als depothoudster verricht, waarbij de vermelding van twee uur per week (in plaats van twee uur per dag) moet worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving. Ter zitting heeft appellante gesteld dat zij reeds in 2002 haar inkomsten heeft gemeld bij het Uwv en dat het formulier van 30 mei 2003 niet door haar zelf, maar door een verzekeringsarts is ingevuld. Omdat appellante aan haar inlichtingenplicht heeft voldaan en er tussentijds geen veranderingen meer zijn opgetreden, mocht zij erop vertrouwen dat haar uitkering juist was. Het Uwv heeft met deze besluitvorming in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

Met het Uwv is de Raad van oordeel dat appellante in de periode hier in geding werkzaamheden heeft verricht als depothoudster, waarvoor zij inkomsten heeft ontvangen. Hierbij acht de Raad de door appellante afgelegde verklaringen, ter zitting van de Raad alsmede ten overstaan van de inspecteur op 9 november 2012, inhoudende dat zij vanaf september 2002 gedurende twaalf uur per week als depothoudster is gaan werken en zij destijds het formulier van 17 september 2004 onjuist heeft ingevuld omdat zij ‘ja’ had moeten aankruisen op de vraag of zij naast haar uitkering werkzaamheden verrichtte, van doorslaggevend belang. Het eerst ter zitting door appellante ingenomen standpunt dat zij als depothoudster slechts hoefde te zitten en hierdoor feitelijk geen werkzaamheden zou hebben verricht, leidt niet tot een ander oordeel.


4.2.

In zijn uitspraak van 5 november 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG3717) heeft de Raad overwogen dat, indien aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan, het Uwv gehouden is toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO (anticumulatie). Daarbij heeft de Raad geoordeeld dat de bewoordingen van dat artikel in beginsel niet in de weg staan aan toepassing met terugwerkende kracht (wat in de regel het geval zal zijn, indien het Uwv later van de inkomsten uit arbeid op de hoogte wordt gesteld of komt). Voorts blijkt uit die uitspraak dat het Uwv van toepassing van die wetsbepaling pleegt af te zien in gevallen waarin het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel aan uitkering ontving. Deze door het Uwv bestendig gehanteerde gedragslijn dient op één lijn te worden gesteld met buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient zodanig beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven worden beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of dat beleid in het voorliggende geval op consistente wijze is toegepast.


4.3.

Niet kan worden geoordeeld dat het in 4.2 bedoelde beleid niet consistent is toegepast. Het kon appellante, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, redelijkerwijs duidelijk zijn dat zij te veel WAO-uitkering ontving. Appellante ontving een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de inkomsten van appellante zodanig waren dat over het grootste gedeelte van de in geschil zijnde periode sprake is geweest van overschrijding met meer dan één arbeidsongeschiktheidsklasse. Appellante werkte immers voorafgaand aan haar WAO-uitkering gemiddeld 13,75 uur per week en in de periode in geding twaalf uur per week. Ook wordt appellante, die sinds 1988 een WAO-uitkering ontvangt, geacht te weten dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling het resultaat is van een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidskundige beoordeling en dat zij aan het Uwv had dienen te melden dat zij inkomsten uit arbeid genoot. Appellante heeft niet voldaan aan de op haar op grond van artikel 80 van de WAO rustende inlichtingenplicht. Het enkele niet onderbouwde, en eerst ter zitting door appellante ingenomen standpunt dat zij reeds in 2002 haar inkomsten zou hebben gemeld, alsmede de verwijzing naar een, overigens onjuist, ingevuld formulier van 30 mei 2003, leidt niet tot een ander oordeel.

4.4.

Gelet hierop staat vast dat de aan appellante toegekende WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2007 tot 14 oktober 2011 deels onverschuldigd is betaald. Dit betekent dat het Uwv ingevolge artikel 57, eerste lid, van de WAO, gehouden was de aan appellante te veel betaalde uitkering over die periode terug te vorderen. Appellante heeft geen zelfstandige gronden tegen de terugvordering aangevoerd.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het Uwv op rechtens juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 44 van de WAO en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en E.W. Akkerman en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.




(getekend) B.M. van Dun




(getekend) K. de Jong



HD