Centrale Raad van Beroep, 29-06-2015 / 13-6438 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:2113

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de FML. De belasting van de voorgehouden functies overschrijdt de belastbaarheid van appellante niet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-29
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
13-6438 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6438 WIA









Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 oktober 2013, 12/5154 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M, Tracey hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2015. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was laatstelijk werkzaam als consultant. Voor dit werk is hij op 8 juni 2005 uitgevallen wegens uitputting, hevige hoofdpijnen en aangezichtspijnen. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 5 maart 2009 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat de loongerelateerde WGA-uitkering eindigt op 5 december 2010 en dat appellant vanaf deze datum in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering. De hoogte van de WGA-vervolguitkering is bij nader besluit van 10 mei 2011gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 72,64 %.


2.1.

Op 4 november 2011 heeft appellant bij het Uwv melding gedaan van toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 22 september 2011. Na onderzoek heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van 1 februari 2012 geconcludeerd dat appellant met ingang van 22 september 2011 geen benutbare mogelijkheden heeft als gevolg van een acute longaandoening. Voorts heeft deze arts geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant op de datum van het onderzoek, 19 december 2011, weer hetzelfde is als bij de laatste medische beoordeling op 29 april 2011. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 26 maart 2012 vastgesteld dat appellant met ingang van 1 december 2011 niet meer in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering en heeft hem in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van eveneens 26 maart 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 1 juni 2012 niet meer in aanmerking komt voor een

WGA-loonaanvullingsuitkering en is hij in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant is tegen dit laatste besluit in bezwaar gekomen, voor zover het betreft de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.


2.2.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv de bevindingen van de verzekeringsarts, dat appellant reeds in december 2011 weer belastbaar is voor zes uur per dag en 30 uur per week voor passend werk conform de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 april 2011, onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt dat de gegevens van het slaaponderzoek dat in mei 2012 werd verricht in feite een bevestiging zijn van hetgeen hij in april 2011 reeds onderkende: namelijk dat er door pijn sprake is van een verstoorde nachtrust. Dit vormde toen reden voor een urenbeperking. Bij de keuze voor een lichte urenbeperking speelde de activiteitenanamnese een rol. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat de activiteitenanamnese niet wezenlijk gewijzigd is. Ook de gegevens van het slaaponderzoek vormen geen reden voor het stellen van een grotere urenbeperking. In april 2011 vermeldde appellant dat hij maar drie uur per nacht sliep, bij het recente slaaponderzoek was er een totale slaaptijd van vijf uur en tien (lees: 29) minuten per nacht en was het percentage REM-slaap normaal. Ook heeft deze arts gewezen op een rapport van de verzekeringsarts S. Knepper die in een eerdere procedure - onder meer betreffende de onder 1 vermelde toekenning van WGA- uitkering per 5 maart 2009 en het aldaar genoemde nadere besluit van 10 mei 2011 - als deskundige door de rechtbank is geraadpleegd en die in zijn rapport van 15 maart 2012 onder andere tot de conclusie komt dat hij kan instemmen met de destijds toegepaste urenbeperking ( toen eveneens zes uur per dag dan wel 30 uur per week). Bij besluit van 7 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 maart 2012 ongegrond verklaard.


3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijk gemotiveerde medische grondslag berust. Daartoe heeft zij overwogen dat niet is gebleken van een onzorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsarts dan wel de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 6 september 2012, 12 september 2013 en 25 september 2013 gereageerd op hetgeen door appellant is gesteld en op de door appellant overgelegde informatie van de behandelend sector. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met de beschikbare informatie van de behandelend sector. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis heeft genomen van de klachten die appellant te kennen heeft gegeven en deze klachten heeft geobjectiveerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv bij het vaststellen van appellants beperkingen voor het verrichten van arbeid onvoldoende rekening heeft gehouden met appellants klachten of dat deze onvoldoende zijn geobjectiveerd.


3.2.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is om de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk te achten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 6 mei 2011, waarbij de arbeidsdeskundige die betrokken is bij het bestreden besluit zich in zijn rapport van 23 maart 2012 heeft aangesloten, voldoende gemotiveerd waarom de geduide functies - uitgaande van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen - passend voor hem zijn.


4.1.

In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - betoogd dat hij per 1 juni 2012 meer dan 65 tot 80 % arbeidsongeschikt is. Zijn beperkingen zijn onderschat. Appellant voert aan dat de ernst van zijn klachten door het Uwv wordt miskend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet mogen steunen op het rapport van Knepper. Knepper was vooringenomen. Voorts zijn de geduide functies niet passend.


4.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Wat betreft appellants medische gronden verwijst het Uwv naar de in het dossier aanwezige rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voor de grond van appellant die betrekking heeft op het deskundigenrapport van Knepper verwijst het Uwv naar de uitspraak van de Raad van 29 november 2013, (ECLI:NL:CRVB:2013:2618), gewezen in het hoger beroep van de uitspraak in de in 2.2 en 4.1 vermelde eerdere procedure.



5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit, is in essentie een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft betoogd. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat die beroepsgronden niet slagen. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke verzekeringsgeneeskundige grondslag berust. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken van een onzorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsarts dan wel de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en appellant gezien en onderzocht op het spreekuur.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht en in zijn rapporten van 6 september 2012, 12 september 2013 en 25 september 2013 gereageerd op hetgeen door appellant is gesteld en op de door appellant overgelegde informatie van de behandelende sector. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met de beschikbare informatie van de behandelende sector. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er sprake van medisch objectiveerbare klachten/beperkingen, de invloed van pijn op de slaap wordt onderkend en dit was reden voor het stellen van beperkingen inclusief een urenbeperking. In zijn rapporten heeft deze arts uitvoerig gemotiveerd waarom er geen aanleiding is een hogere urenbeperking aan te nemen. In het bijzonder houdt de gestelde urenbelastbaarheid van zes uur per dag voldoende rekening met de door appellant geclaimde rustbehoefte van anderhalve uur in de middag. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met appellants klachten of dat deze onvoldoende zijn geobjectiveerd. In hetgeen door appellant is aangevoerd is de Raad niet gebleken van vooringenomenheid van verzekeringsarts Knepper. Appellant kan daarom niet worden gevolgd in zijn betoog dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich niet mag beroepen op het vermelde deskundigenrapport van Knepper.


5.2.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid, is de Raad van oordeel dat in de arbeidskundige rapporten toereikend is gemotiveerd dat appellant de voor hem geselecteerde functies kan vervullen. De signaleringen met betrekking tot eventuele overschrijding van de belastbaarheid zijn naar behoren gemotiveerd.


5.3.

Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Nu eerst in hoger beroep afdoende is toegelicht dat appellant, ondanks enkele signaleringen, ook de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) kan vervullen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 490,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.470,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.470,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en J. Riphagen en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) J.R. van Ravenstein



NW