Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 14-1689 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2141

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting door bij het college geen melding te maken van haar werkzaamheden als buikdanseres. Omdat zij tevens geen gegevens heeft verstrekt op grond waarvan de omvang van de werkzaamheden en de hoogte van de inkomsten verifieerbaar kan worden afgeleid, kan het recht op bijstand niet langer worden vastgesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-1689 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1689 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

27 februari 2014, 13/2112 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.N. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2015. Namens appellante is

mr. Hermans verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F. Jans-Rakers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 1 juni 2007 algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Over de periode van 1 mei 2010 tot 1 mei 2011 is haar daarnaast bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van een zogenoemde Bene-fit kortingspas.


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante buikdanslessen zou geven in [woonplaats] en zou hebben deelgenomen aan buikdanswedstrijden met leerlingen, waarbij prijzen gewonnen zouden zijn, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek is dossieronderzoek verricht, zijn geautomatiseerde systemen en bronnen geraadpleegd, hebben waarnemingen plaatsgevonden, heeft een huisbezoek plaatsgevonden en is appellante gehoord en om gegevens gevraagd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

27 december 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

28 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 juni 2013 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 1 juni 2007 in te trekken, de toekenning van de bijzondere bijstand te herzien en alsnog af te wijzen, en de over de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 oktober 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 67.506,35. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van haar werkzaamheden als buikdanseres. Omdat zij tevens geen gegevens heeft verstrekt op grond waarvan de omvang van de werkzaamheden en de hoogte van de inkomsten over de periode vanaf 1 juni 2007 verifieerbaar kan worden afgeleid, kan het recht op bijstand met ingang van die datum niet langer worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 juni 2007 tot en met 28 december 2012.


4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat het buikdansen voor haar niet meer is dan een hobby. Deze hobby is zij gestart met vriendinnen in april 2007. Voor haar is dit een therapie tegen haar psychische problemen, die bij het college bekend zijn. Het college heeft haar ook geadviseerd tot sociale activering over te gaan. Met haar vriendinnen huurt zij een zaaltje en leggen zij geld bij elkaar voor de zaalhuur, kostuums en sluiers. Appellante beheert slechts het geld en houdt daarvan de administratie bij. Uit deze administratie, die ook bij het college bekend is, blijkt dat appellante op deze hobby alleen maar geld heeft toegelegd.


4.3.

Deze grond slaagt niet. De onderzoeksbevindingen en de gegevens die uit de overige gedingstukken blijken, vormen een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat in de gehele periode in geding sprake is geweest van het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten. Met ingang van 26 maart 2007 tot een dag na haar verhoor in het kader van het onderzoek stond op naam van appellante een website geregistreerd onder de naam [website] Op deze website stond, naast persoonlijke achtergrondinformatie van appellante, vermeld dat er op vrijdagavond cursus wordt gegeven, waarbij het lesgeld was vermeld, en dat er ook privélessen, workshops en optredens werden verzorgd en een fotoboek met foto’s sinds 2006 en een filmpje van een optreden. Uit verder onderzoek op het internet is gebleken dat [naam bedrijf] [woonplaats] een aantal malen bij wedstrijden was ingeschreven, dat naar appellante wordt verwezen voor buikdanslessen en dat appellante lessen geeft aan kinderen. Tijdens het huisbezoek bij appellante zijn visitekaartjes aangetroffen met gegevens over haar werkzaamheden en vermelding van haar website. Daarnaast zijn cursusovereenkomsten aangetroffen, waaruit blijkt dat cursisten € 25,- betalen per vier lesweken, dat gemiste lessen niet worden terugbetaald, hoe opgezegd moet worden en dat deelnemen voor eigen risico is. De oudste aangetroffen cursusovereenkomst dateert van 13 april 2007. Daarnaast is een overzicht aangetroffen met de betalingen van de cursisten en vele aantekeningen over lesinhoud, bewegingen en choreografieën. Tot slot is een geldkistje aangetroffen met daarin € 300,-, waarover appellante heeft verklaard dat dit betaald lesgeld betrof dat zij had gereserveerd voor dierenartskosten voor haar hondjes. Appellante heeft voorts zelf verklaard dat zij geen vergoeding krijgt voor het geven van lessen, maar dat zij in ruil voor het lesgeven niet meebetaalt aan de huur en daardoor gratis kan sporten. Gelet op de aard, de omvang, de duur en het terugkerende karakter van deze activiteiten, moeten deze activiteiten worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden, waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zij van invloed konden zijn op (de omvang van) haar recht op bijstand. Voor de toepassing van de WWB is immers niet alleen relevant of de betrokkene inkomsten heeft ontvangen, maar tevens of de betrokkene werkzaamheden heeft verricht waar normaliter een beloning tegenover staat en die de betrokkene daar redelijkerwijs ook voor kan bedingen. Of het om bedrijfsmatig verrichte of, zoals appellante heeft aangevoerd, bij wijze van hobby uitgeoefende activiteiten gaat, is voor de WWB voorts geen relevant onderscheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van

20 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3466). Door het college niet volledig op de hoogte te stellen van die activiteiten, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.


4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan appellante om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat, als zij de inlichtingenverplichting destijds wel naar behoren was nagekomen, aan haar aanvullende bijstand zou zijn verleend.


4.5.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van op geld waardeerbare activiteiten en dat er dus geen inkomsten hadden kunnen worden bedongen. Zij is zich daarnaast op het standpunt blijven stellen dat zij geen lessen of workshops heeft gegeven en geen optredens heeft gegeven of begeleid. Aldus heeft zij geen inzage gegeven in de omvang van de activiteiten die door de Raad wel als op geld waardeerbaar worden beschouwd. Door dit na te laten heeft appellante een bewijsrisico genomen waarvan de mogelijke gevolgen voor haar rekening komen. Daaraan doet niet af dat in het dossier wel een gedeeltelijke administratie van de lessen is aangetroffen. Zoals hiervoor is overwogen, is daarmee de volledige omvang van de activiteiten nog niet vastgesteld. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting heeft het college met betrekking tot de te beoordelen periode derhalve niet - eventueel schattenderwijs - kunnen vaststellen of en, zo ja, in welke mate appellante in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.


4.6.

Appellante heeft tot slot nog aangevoerd dat sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming. Het college was op de hoogte van de kwetsbaarheid van appellante en heeft kort na de intrekking ook meteen weer opnieuw bijstand toegekend. Ook deze grond leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Dat met de kwetsbaarheid van appellante tijdens het onderzoek onvoldoende rekening is gehouden, is niet nader onderbouwd en ook overigens niet gebleken. De toekenning van bijstand na de intrekking is daarnaast geschied op grond van de gewijzigde situatie dat appellante met haar buikdansactiviteiten was gestopt en dat haar website niet langer online was. Dat van onzorgvuldige besluitvorming sprake is geweest, is daarmee onvoldoende onderbouwd.


4.7.

Het college was gelet op het voorgaande dan ook bevoegd om de bijstand met ingang van 1 juni 2007 in te trekken. De wijze van uitoefening van deze bevoegdheid heeft appellante niet bestreden.


4.8.

Uit 4.7 vloeit voort dat het college ook bevoegd was de over de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 oktober 2012 gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Het college voert het beleid dat van terugvordering slechts kan worden afgezien als er sprake is van dringende redenen. Wat appellante heeft aangevoerd met betrekking tot haar psychische situatie en de reden waarom zij aan buikdansen doet, kan niet worden aangemerkt als dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien.


4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en C.H. Rombouts en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.





(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD