Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 14-1720 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2156

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Hennepknipperij.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-07
Zaaknummer
14-1720 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1720 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 februari 2014, 13/5260 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T. Deckwitz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. B.E.C. Bertens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 4 augustus 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

Naar aanleiding van een melding dat een sterke hennepgeur te ruiken was bij het vierde schuurtje op het woonwagenkamp aan de [adres] te [woonplaats] en dat dit schuurtje was voorzien van net gespoten purschuim, heeft de politie Brabant Noord op 11 maart 2013 een onderzoek ingesteld bij het adres van appellante. In de schuur van appellante werd 3.260 gram aan geknipte henneptoppen en 13.530 gram aan hennepplanten aangetroffen. Verder werd een zevental personen aangetroffen en aangehouden, waarvan één hennepplanten aan het bewerken was. In de schuur was aan het plafond een koolstoffilter gemonteerd en aan een zijmuur een inbouwventilator. De huurder van de schuur is appellante. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 1 april 2013.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 10 juli 2013 de bijstand over de periode van 1 maart 2013 tot 1 april 2013 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 1.110,84.


1.4.

Bij besluit van 6 september 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 10 juli 2013 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat in de schuur van appellante een hennepknipperij is aangetroffen en dat dit de vooronderstelling rechtvaardigt dat appellante daarvan de (mede-)eigenaar is geweest en de opbrengsten haar (mede) ten goede zijn gekomen. Appellante heeft hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij geen dan wel geringe inkomsten hiermee heeft verworven. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij geen wetenschap had van de hennepknipperij in haar schuur en dit daarom ook niet kon melden. Een hennepknipperij kan voorts niet op een lijn worden gesteld met een hennepkwekerij, waarbij het, anders dan bij een hennepknipperij, gaat om een statisch geheel dat vaak langdurig op een locatie aanwezig is. Het purschuim dat in de kieren van de schuur was gespoten, was net gespoten. Dit impliceert dat de hennepknipperij op 11 maart 2013, eerst nadat zij die dag van huis was vertrokken, in de schuur was ingericht. Appellante was veel bij haar zieke moeder en daarom overdag niet veel thuis, zo ook op de dag dat de hennepknipperij werd ontdekt. Iedereen op het woonwagenkamp wist dat appellante veel weg was. Niemand heeft verklaard dat appellante betrokken was bij de hennepknipperij. Appellante heeft geen toestemming gegeven voor de hennepknipperij in haar schuur en heeft daar ook geen inkomsten uit genoten. Dat in 2009 hennep is aangetroffen in de schuur is niet relevant voor de vraag of appellante in de onderhavige zaak wetenschap had van de hennepknipperij.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 maart 2013 tot 1 april 2013.


4.2.

Vaststaat dat op 11 maart 2013 een hennepknipperij in de schuur van appellante is aangetroffen. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6894) volgt dat het feit dat in de schuur bij de woning van een betrokkene een hennepkwekerij is aangetroffen, de vooronderstelling rechtvaardigt dat die betrokkene daarvan de (mede)exploitant is geweest en dat de opbrengst (ook) die betrokkene ten goede is gekomen. De Raad ziet in de omstandigheid dat het in dit geval gaat om een hennepknipperij en niet om een hennepkwekerij waarbij het gaat om een statisch geheel, geen aanleiding om niet van die vooronderstelling uit te gaan. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de hennepknipperij niet zelf heeft geëxploiteerd of mede heeft geëxploiteerd en ook overigens in het geheel geen inkomsten uit of in verband met de hennepknipperij heeft ontvangen. De stelling dat de hennepknipperij buiten haar medeweten is gestart, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. De enkele ontkenning van appellante is ontoereikend om aan te nemen dat zij niet in staat was de hennepknipperij te exploiteren, of daarbij betrokken te zijn en dat zij geen wetenschap had van de exploitatie van de hennepknipperij. Dat in de schuur een koolstoffilter en een inbouwventilator waren aangebracht en purschuim in de kieren van de schuur was gespoten, wijst er eerder op dat appellante wel wist van de hennepknipperij. Appellante heeft zelf verklaard dat de ventilator al aanwezig was, waaruit volgt dat die niet door de knippers is meegenomen.


4.3.

Door geen melding te maken van de in haar schuur aangetroffen hennepknipperij heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De omstandigheid dat appellante over de hennepknipperij verder geen informatie heeft verstrekt, rechtvaardigt de conclusie van het dagelijks bestuur dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet is vast te stellen.


4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en C.H. Rombouts en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD