Centrale Raad van Beroep, 24-06-2015 / 13-5446 WAZ


ECLI:NL:CRVB:2015:2162

Inhoudsindicatie
Ontbreken van een (afwijzende) beschikking op aanvraag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
13-5446 WAZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

13/5446 WAZ

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 augustus 2013, 13/150 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft L.J.M. van Oers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 oktober 2014 heeft mr. F. Ergec, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld, kantoorgenoot van mr. Ergec. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft in verband met bij hem op 22 januari 2002 ingetreden arbeidsongeschiktheid op 15 augustus 2003 bij het Uwv een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingediend. Bij brief van 19 augustus 2003 heeft het Uwv appellant verzocht om in die brief opgesomde stukken op te sturen. Het Uwv heeft op deze brief geen reactie van appellant ontvangen.


1.2.

Met een op 24 april 2012 door hem ondertekend formulier heeft appellant melding gemaakt van zijn verslechterde gezondheid.


1.3

Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 10 mei 2011 een WAZ-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij heeft het Uwv te kennen gegeven dat in de WAZ is bepaald dat de uitkering niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de dag waarop de aanvraag is ingediend. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 15 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1.

De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat op de aanvraag van appellant van

15 augustus 2003 door het Uwv geen inhoudelijke beoordeling van het recht op een

WAZ-uitkering heeft plaatsgevonden. Anders dan het Uwv, is de rechtbank van oordeel dat de brief van 19 augustus 2003 niet gezien kan worden als een besluit tot buiten behandelingstelling als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat dit in de brief niet met zoveel woorden is vermeld. De rechtbank is verder van oordeel dat de melding van verslechterde gezondheidstoestand van 24 april 2012 niet aangemerkt kan worden als een herhaalde aanvraag overeenkomstig artikel 4:6 van de Awb, noch kan worden opgevat als een impliciet verzoek om alsnog te beslissen op de aanvraag van appellant van

15 augustus 2003. Het Uwv heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat uit het langdurig zwijgen van appellant kan worden afgeleid dat hij heeft berust in het uitblijven van verdere behandeling en besluitvorming met betrekking tot die aanvraag. De rechtbank heeft voor dit oordeel verwezen naar een brief van appellant van 9 mei 2012, waarin hij te kennen heeft gegeven dat hij de eerdere aanvraag niet heeft voortgezet omdat hij destijds een uitkering ontving vanuit een particuliere verzekering. Volgens de rechtbank heeft het Uwv de melding van appellant van zijn verslechterde gezondheidstoestand van 24 april 2012 dan ook terecht aangemerkt als een nieuwe aanvraag van een WAZ-uitkering.


2.2.

De rechtbank heeft verder, samengevat, overwogen dat de beschikbare gegevens geen toereikende grond bieden voor de conclusie dat er sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 36, tweede lid, van de WAZ. Niet gebleken is dat appellant buiten staat is geweest om eerder een WAZ-uitkering aan te vragen. Onbekendheid met het bestaan van de mogelijkheid van het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan volgens de rechtbank ook geen bijzonder geval opleveren. Met betrekking tot het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2012, ECLI:CRVB:NL:2012:BX3805), overwogen dat van schending van het vertrouwensbeginsel door het Uwv niet is gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht

10 mei 2011 als ingangsdatum van het recht op WAZ-uitkering vastgesteld.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bestreden. Hij heeft wederom aangevoerd dat de melding van de verslechterde gezondheidstoestand opgevat had moeten worden als een verzoek om alsnog op de aanvraag van 15 augustus 2003 te beslissen. Het Uwv heeft nimmer een besluit genomen op die aanvraag en hem zo de mogelijkheid ontnomen om bezwaar te maken. Appellant heeft verder benadrukt dat sprake is van bijzondere omstandigheden om alsnog met verder terugwerkende kracht een WAZ-uitkering toe te kennen. De rechtbank is volgens hem voorbijgegaan aan het feit dat het buiten behandeling stellen van de aanvraag plaatsvond in een periode waarin de WAZ werd afgeschaft en appellant er vanuit ging dat hij niet meer in aanmerking kon komen voor een WAZ-uitkering. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat uit het langdurig zwijgen van appellant kan worden afgeleid dat hij berust zou hebben in het uitblijven van verdere behandeling van de aanvraag van 15 augustus 2003 en besluitvorming. Appellant heeft tot slot zijn beroep op het vertrouwensbeginsel gehandhaafd. Het feit dat het Uwv alle jaarstukken van 1996 tot en met 2002 heeft opgevraagd, heeft bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hem alsnog met verder terugwerkende kracht een WAZ-uitkering zou worden toegekend.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Bij brief van 19 augustus 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn aanvraag niet in behandeling kan worden genomen omdat deze niet compleet is. Appellant is verzocht om een loonbelastingverklaring en jaarstukken, waaronder balansen en winst- en verliesrekeningen van de jaren 1999 tot en met 2002 in te zenden. Niet in geschil is dat appellant op deze brief niet heeft gereageerd met toezending van de gevraagde stukken aan het Uwv. Op een kopie van de brief van 19 augustus 2003 is door een medewerker van het Uwv aangetekende “niets ontvangen” met daarbij de datum 9 januari 2004. Uit deze aantekening blijkt volgens het Uwv dat de aanvraag op 9 januari 2004 administratief is afgesloten.


4.2.

In zijn op 9 mei 2012 aan het Uwv gezonden brief heeft appellant onder andere het volgende gesteld:


“U stelt dat ik geen recht zou hebben op een WAZ-uitkering. Dit bestrijd ik ten stelligste. Er bestond wel degelijk recht op deze uitkering, doch omdat ik een uitkering kreeg van een particuliere verzekering heb ik deze niet aangevraagd, althans de aanvraag niet voortgezet.

(…)

In 2003 heb ik een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor de WAZ maar daar heb ik geen gebruik meer van gemaakt, om de reden dat ik met de jaarstukken bij u in Breda aan het loket heb gestaan, maar toenmalige Heer van [H.] wilde niet voor ontvangst tekenen, en ik heb ze dus weer mee naar huis genomen en heb ik nooit geen werk meer van gemaakt.

(…)

Ik was zelf ook verzekerd bij Klaverblad verzekeringen en heb daar de periode tot mijn 60ste jaar een arbeidsongeschiktheid uitkering ontvangen.”


4.3.

Uit deze brief blijkt dat appellant, nadat hij naar aanleiding van de brief van 19 augustus 2003 een bezoek had gebracht aan een kantoor van het Uwv, ervoor heeft gekozen om zijn aanvraag van 15 augustus 2003 niet voort te zetten. Het bewust niet voortzetten van die aanvraag moet in het onderhavige geval op één lijn worden gesteld met de situatie waarin de aanvraag door een betrokkene is ingetrokken.


4.4.

In dat verband is ook van betekenis dat appellant niet is opgekomen tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag. Op grond van artikel 6:2 van de Awb staat tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag bezwaar en beroep open. Niet is gebleken dat in de periode van januari 2004 tot april 2012 correspondentie tussen appellant en het Uwv heeft plaatsgevonden dan wel dat op andere wijze door appellant met het Uwv is gecommuniceerd over het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 15 augustus 2003. Uit de opstelling van appellant alsmede het tijdsverloop van acht jaar en acht maanden (van de aanvraag van 15 augustus 2003 tot de melding van 24 april 2012) kan worden afgeleid dat hij heeft berust in het uitblijven van verdere besluitvorming en behandeling van zijn aanvraag. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de melding van appellant van verslechterde gezondheidstoestand van 24 april 2012 terecht door het Uwv is aangemerkt als een nieuwe aanvraag.


4.5.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WAZ gaat de uitkering in op de dag, met ingang waarvan de betrokkene aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Op grond van artikel 36, tweede lid, eerste volzin, van de WAZ gaat in afwijking van het eerste lid de uitkering niet vroeger in dan een jaar voor de dag waarop de uitkering werd ingediend.


4.6.

Ter zitting is vastgesteld dat het Uwv in het geval van appellant met het bepalen van

10 mei 2011 als ingangsdatum van de WAZ-uitkering deze uitkering niet een jaar voor de aanvraag van 24 april 2012 heeft laten ingaan. Zoals de vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting heeft bevestigd, moet het besluit van 15 oktober 2012 aldus worden gelezen dat appellant met ingang van 25 april 2011 een WAZ-uitkering krijgt. Deze wijziging van de ingangsdatum heeft tot gevolg dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, moeten worden vernietigd.


4.7.

Ter beoordeling is vervolgens of in het geval van appellant sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Uwv met toepassing van artikel 36, tweede lid, tweede volzin van de WAZ, de ingangsdatum van de uitkering van appellant vroeger dan een jaar voor de datum van de aanvraag uitkering had moeten vaststellen.


4.8.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 5 november 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG4213) kan slechts van een bijzonder geval worden gesproken indien de betrokken verzekerde terzake van een verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. Dat kan onder meer het geval zijn, als hij kennelijk niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen, terwijl tevens geen beroep kon worden gedaan op personen in de directe omgeving.


4.9.

De Raad is evenals de rechtbank en op de in de aangevallen uitspraak gebezigde gronden van oordeel dat de beschikbare (medische) gegevens geen toereikende grond bieden voor de conclusie dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 36, tweede lid, van de WAZ. Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat een bijzondere omstandigheid is gelegen in het feit dat hij er als gevolg van de Wet einde toegang verzekering WAZ ten onrechte vanuit is gegaan dat hij vanaf 2004 niet meer voor een WAZ-uitkering in aanmerking kon komen. Onbekendheid met wettelijke regelingen levert volgens vaste rechtspraak geen bijzonder geval op (zie bijvoorbeeld CRvB 8 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9839).


4.10.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 15 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0181) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is in het geval van appellant niet gebleken.


4.11.

Wat is overwogen in 4.6 is aanleiding het besluit van 15 oktober 2012 te herroepen voor zover daarbij de ingangsdatum van de WAZ-uitkering is bepaald op 10 mei 2011. De Raad zal bepalen dat de WAZ-uitkering van appellant ingaat met ingang van 25 april 2011 en dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen bestreden besluit.


5. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van

25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


6. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten van rechtsbijstand in hoger beroep worden begroot op € 980,-.










BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 15 november 2012 gegrond en vernietigt

dat besluit;

- herroept het besluit van 15 oktober 2012, voor zover daarbij de ingangsdatum van de

WAZ-uitkering is bepaald op 10 mei 2011 en bepaalt dat de ingangsdatum 25 april 2011 is;

  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • - veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van de wettelijke rente zoals onder 5 van

deze uitspraak is vermeld;

  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 980,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 160,-. vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) V. van Rij




CVG