Centrale Raad van Beroep, 03-07-2015 / 12-6464 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2015:2190

Inhoudsindicatie
Het overwogene leidt tot de conclusie dat het Uwv de ingangsdatum van de wettelijke rente niet geheel juist heeft vastgesteld. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigd dienen te worden met gegrondverklaring van het beroep. De Raad zal het primaire besluit van 14 oktober 2011 herroepen en bepalen dat het Uwv alsnog wettelijke rente verschuldigd is vanaf 1 februari 2007.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-03
Publicatiedatum
2015-07-07
Zaaknummer
12-6464 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6464 WAJONG

Datum uitspraak: 3 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

24 oktober 2012, 12/1534 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2014. Appellant is daarbij in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is [in] 1967 geboren en lijdt aan een Autisme Spectrum Stoornis. Nadat hij in 1985 zijn gymnasium opleiding succesvol had afgerond, heeft appellant tot 2001 filosofie gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens die studie heeft hij enige jaren tevens gewerkt als onderzoeksassistent en na afronding van de studie heeft hij twee keer gedurende korte tijd gewerkt als docent. In november 2006 heeft appellant een aanvraag om een uitkering op grond van Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend bij het Uwv. Appellant is vervolgens onderzocht door een verzekeringsarts, die tot de conclusie is gekomen dat appellant vanaf zijn 17e verjaardag beperkingen heeft in zijn functioneren als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek.


1.2.

Bij besluit van 1 mei 2007 heeft het Uwv aan appellant met ingang van

24 november 2005 een uitkering ingevolge de Wajong toegekend. Nadat het door appellant gemaakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de toegekende Wajong-uitkering ongegrond was verklaard bij besluit van 27 september 2007, heeft de rechtbank bij uitspraak van

11 mei 2009 laatstgenoemd besluit vernietigd. Daarbij is overwogen dat gelet op diverse omstandigheden sprake is van een bijzonder geval en dat het Uwv een nieuwe beslissing dient te nemen aangaande de ingangsdatum van de uitkering.


1.3.

Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 15 juli 2009 heeft het Uwv met ingang van

20 juni 1985 aan appellant een uitkering toegekend op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Over het tijdvak van 20 juni 1985 tot 24 november 2005 heeft het Uwv vervolgens een bedrag van in totaal € 182.892,56 bruto aan appellant betaald. Appellant heeft aan het Uwv verzocht om vergoeding van wettelijke rente over dit bedrag.


1.4.

Het Uwv heeft bij besluit van 14 oktober 2011 wettelijke rente toegekend aan appellant over het tijdvak van 1 juni 2007 tot het tijdstip van de nabetaling.


1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 14 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 oktober 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat in de berekening van de verschuldigde rente geen rekening was gehouden met rente op rente. Voor het overige heeft het Uwv het besluit van 14 oktober 2011 gehandhaafd.


2.1.

Tijdens de procedure bij de rechtbank is namens appellant een brief van een rechtsvoorganger van het Uwv overgelegd, waaruit blijkt dat appellant in 1984 en 1991 aanvragen om een AAW-uitkering heeft ingediend waarop afwijzend is beslist. Tegen het in 1985 genomen besluit tot weigering van een AAW-uitkering is door appellant beroep ingesteld, welk beroep toen ongegrond is verklaard.


2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat in de nabetaling met terugwerkende kracht van de uitkering geen erkenning van onrechtmatigheid besloten ligt, nu de nabetaling voortvloeit uit een op 24 november 2006 gedane aanvraag waarop bij besluit van 1 mei 2007 is beslist.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv wettelijke rente aan hem verschuldigd is primair vanaf 1 juli 1985, subsidiair vanaf 1 februari 1992 en meer subsidiair vanaf 1 maart 2007.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv eerst met ingang van 1 juni 2007 wettelijke rente dient te vergoeden over de nabetaling van de aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering.


4.2.

Over dit geschilpunt wordt voorop gesteld dat in artikel III, eerste lid, van de Wet van

25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Stb. 2009, 264) is bepaald dat op een verplichting tot betaling van een geldsom aan of door een bestuursorgaan die is vastgesteld of ontstaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing is. Het Uwv heeft bij besluit van 1 mei 2007 vastgesteld dat appellant jeugdgehandicapte is en dat hij met ingang van 24 november 2005 recht heeft op een uitkering ingevolge de Wajong. Aldus heeft het Uwv erkend dat de oorspronkelijke besluiten uit 1985 en 1991 tot weigering van een AAW-uitkering onrechtmatig waren. Uit het besluit van 1 mei 2007 vloeide reeds een betalingsverplichting voort voor het Uwv, welke na een procedure over de ingangsdatum, nader is vastgesteld bij besluit van 15 juli 2009. Nu de onrechtmatige besluiten zijn genomen voor 1 juli 2009 en voor die datum ook de vaststelling van de betalingsverplichting van het Uwv is vastgesteld, welke na die datum is gewijzigd, moet geconcludeerd worden dat artikel 4:102 van de Awb in dit geval niet van toepassing is en dat de aanspraak op wettelijke rente moet worden beoordeeld op grond van het voor 1 juli 2009 geldende recht.


4.3.

Zoals al eerder is overwogen in de uitspraak van 28 oktober 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU2160) neemt de Raad voortaan, omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing, mede gezien het forfaitaire karakter van wettelijke rente, tot uitgangspunt dat de wettelijke rente gaat lopen op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand (of het andere tijdvak) waarop de periodieke betaling betrekking heeft. Indien het niet gaat om reeds lopende periodieke betalingen, maar om een eerste toekenning of om een wijziging van een element van de periodieke betaling, geldt bovendien dat de wettelijke rente niet eerder gaat lopen dan vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de beslistermijn voor de toekenning of wijziging is verstreken.


4.4.

In dit geval is de aanvraag ontvangen op 24 november 2006. De toekenning van de uitkering heeft uiteindelijk bij besluit van 15 juli 2009 plaatsgevonden met ingang van

20 juni 1985. Nu het gaat om een eerste toekenning en de beslistermijn ingevolge artikel 69 van de Wajong acht weken (na 24 november 2006) bedraagt, brengt toepassing van de bovenstaande regels met zich dat de verplichting tot betaling van wettelijke rente over de nabetaling is ingegaan op 1 februari 2007. Dit betekent dat het Uwv ingaande 1 februari 2007 wettelijke rente dient te vergoeden aan appellant over de nabetaling.


4.5.

Bij de toetsing van zelfstandige schadebesluiten als het onderhavige wordt voorts aansluiting gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant als gevolg van de onjuist gebleken besluiten van het Uwv uit 1985 en 1991 schade heeft geleden. Dit betekent dat op het Uwv in beginsel de verplichting rust om de schade die het gevolg is van de onjuiste besluiten te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het BW. Volgens artikel 6:119 van het BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Deze fixatie van de omvang van de schade doet er niet aan af dat op grond van artikel 6:101 van het BW tevens een beoordeling moet plaatsvinden van de vraag of de schadeoorzaak mede aan appellant dient te worden toegerekend en of de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van het Uwv geheel of gedeeltelijk dient te vervallen.


4.6.

Vaststaat dat het Uwv in 1985 en 1991 besluiten heeft genomen over de aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als jonggehandicapte en dat appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen die besluiten. Eerst in november 2006 heeft appellant wederom aan het Uwv verzocht om toekenning van een Wajong-uitkering onder verwijzing naar een gestelde medische diagnose. Onder deze omstandigheden moet geconcludeerd worden dat de hoogte van de schade in ieder geval mede aan appellant moet worden toegerekend. Aan appellant kan verweten worden dat geen gebruik is gemaakt van de tegen de besluiten openstaande rechtsmiddelen van toentertijd beroep en hoger beroep, die speciaal zijn gegeven om onrechtmatige besluiten te redresseren. Een tijdige gebruikmaking van deze rechtsmiddelen had van appellant verwacht mogen worden. Voor toekenning van wettelijke rente per de primair en subsidiair door appellant genoemde data wordt dan ook geen aanleiding gezien.


4.7.

Het hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 overwogene leidt tot de conclusie dat het Uwv de ingangsdatum van de wettelijke rente niet geheel juist heeft vastgesteld. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigd dienen te worden met gegrondverklaring van het beroep. De Raad zal het primaire besluit van 14 oktober 2011 herroepen en bepalen dat het Uwv alsnog wettelijke rente verschuldigd is vanaf

1 februari 2007.


5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, bestaande uit de kosten voor rechtsbijstand in beroep en de reiskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 20,40 in hoger beroep. Voor een vergoeding van kosten van rechtsbijstand in hoger beroep bestaat geen aanleiding nu niet is gebleken van proceshandelingen verricht door een professionele rechtsbijstandsverlener.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - vernietigt het besluit van 14 februari 2012 en verklaart het beroep tegen dit besluit gegrond;
  • - herroept het besluit van 14 oktober 2011 en bepaalt de ingangsdatum van de te vergoeden wettelijke rente op 1 februari 2007;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.000,40;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 157,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) S. Aaliouli





MK