Centrale Raad van Beroep, 13-01-2015 / 13-5633 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:22

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat geen sprake was van duurzaam gescheiden leven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-13
Publicatiedatum
2015-01-15
Zaaknummer
13-5633 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5633 WWB

Datum uitspraak: 13 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 september 2013, 12/1392 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. ing. J.G. van Ek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 18 november 2014 plaatsgevonden. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.J.C. Bolton, kantoorgenoot van mr. Van Ek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.P. Pozun.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante is sinds 8 april 1996 gehuwd met [naam] [A]. Sinds 2 mei 2007 ontvingen appellanten bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de gezinsnorm. Nadat

A was verhuisd naar Heerlen, ontving appellante sinds 18 maart 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Op 19 november 2011 is appellante bevallen van een zoon.


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 29 september 2011 dat appellante gezien werd met A, dat zij samen met hun vijf kinderen op vakantie waren geweest naar Dubai en dat appellante zwanger was, hebben medewerkers van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Sittard-Geleen een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn gegevens opgevraagd bij instanties en bij appellante, hebben gesprekken plaatsgevonden met appellante en zijn waarnemingen gedaan. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 27 januari 2012.


1.3.

Op grond van het resultaat van het onderzoek heeft het college bij besluit van 27 januari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juni 2012 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 19 februari 2011 ingetrokken omdat zij niet duurzaam gescheiden leefde van A. Daarnaast is besloten dat appellante in de periode van 9 augustus 2011 tot en met 24 augustus 2011 geen recht op bijstand had omdat zij langer dan de wettelijk toegestane termijn met behoud van bijstand in het buitenland had verbleven. Tot slot zijn de over de periode van 19 februari 2011 tot en met 29 november 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 12.900,52.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat zij en A niet duurzaam gescheiden leefden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.2.

Niet in geschil is dat appellante van 9 augustus 2011 tot en met 24 augustus 2011 geen recht heeft op bijstand omdat zij langer dan de toegestane periode in het buitenland heeft verbleven. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante in de periode vanaf 19 februari 2011 duurzaam gescheiden leefde van A en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB moest worden aangemerkt.


4.3.

Vaststaat dat appellante en A nog altijd gehuwd zijn. Zij hielden weliswaar gescheiden woningen aan, maar het huwelijk was niet ontbonden.


4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.


4.5.

Ter zitting is namens het college bevestigd dat het standpunt van het college dat geen sprake was van duurzaam gescheiden leven, uitsluitend is gebaseerd op de verklaringen van appellante in combinatie met de omstandigheden dat appellante en A in dezelfde periode in Dubai op vakantie waren en dat appellante op 19 november 2011 is bevallen van een kind, waarvan A de vader is.


4.6.

Met appellante wordt geoordeeld dat haar verklaringen onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat vanaf 19 februari 2011 geen sprake was van duurzaam gescheiden leven. Uit deze verklaringen kan niet meer worden afgeleid dan dat A nog een zekere rol speelde in de opvoeding van de kinderen. Uit de verklaringen blijkt niet van gezamenlijke activiteiten, het samen dragen van andere verantwoordelijkheden dan de opvoeding van de kinderen of anderszins een feitelijke onderbouwing van een echtelijke samenleving. De enkele omstandigheid dat appellante en A in dezelfde periode tegelijk op vakantie waren in Dubai is daartoe, zonder nadere feitelijke invulling, niet voldoende. Dat A weleens in een weekend blijft slapen, is in dit verband ontoereikend. Omtrent de frequentie van het verblijf van A bij appellante en de feitelijke invulling daarvan, wordt uit de verklaringen immers onvoldoende duidelijk. Het college wordt evenmin gevolgd in de stelling dat uit de verklaringen van appellante blijkt dat appellante niet het voornemen had om te gaan scheiden, maar dat zij wilde bezien of ze met haar echtgenoot samen verder kon. Appellante heeft in de diverse gesprekken eveneens meermaals verklaard dat zij graag wilde scheiden, maar dat zij daarover als vrouw, met haar culturele achtergrond, niet alleen kon beslissen.


4.7.

Uit de verklaringen van appellante volgt wel dat A vanaf een week voor haar bevalling vaker kwam om ook voor haar te zorgen. Vanaf dat moment kan niet langer worden geoordeeld dat slechts sprake was van het zorgen voor de gezamenlijke kinderen. Dit leidt tot de conclusie dat de onderzoeksbevindingen wel voldoende onderbouwing vormen voor de conclusie dat vanaf 12 november 2011 niet langer sprake was van duurzaam gescheiden leven.


4.8.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat de intrekking van de bijstand vanaf 19 februari 2011 berust op een onvoldoende feitelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. In zoverre treft het hoger beroep doel. Vanaf 12 november 2011 bestaat voor de intrekking wel een voldoende feitelijke grondslag. Nu niet is betwist dat appellante in de periode van 9 augustus 2011 tot en met 24 augustus 2011 langer dan de toegestane duur in het buitenland heeft verbleven, is ook over deze periode de bijstand terecht ingetrokken.


4.9.

Uit 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand van 19 februari 2011 tot en met 8 augustus 2011 en van 25 augustus 2011 tot en met

11 november 2011. Het besluit van 27 januari 2012 berust in zoverre op dezelfde ondeugdelijke grondslag als het bestreden besluit en het is niet aannemelijk dat het college dit gebrek nog kan herstellen. Om die reden ziet de Raad aanleiding om het besluit van

27 januari 2012 te herroepen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de periodes van 19 februari 2011 tot en met 8 augustus 2011 en van 25 augustus 2011 tot en met 11 november 2011.


4.10.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het college niet bevoegd was de over de periode vanaf 19 februari 2011 tot en met 8 augustus 2011 en over de periode 25 augustus 2011 tot en met 11 november 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Het college was wel bevoegd tot terugvordering over de periodes van 9 augustus 2011 tot en met 24 augustus 2011 en vanaf 12 november 2011. Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd. In aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, komt het bestreden besluit met betrekking tot de terugvordering geheel voor vernietiging in aanmerking. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om voor de terugvordering zelf in de zaak te voorzien. Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken. Nu het daarbij nog slechts gaat om een financiële uitwerking, ziet de Raad geen aanleiding voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus en zal hij het college op dit punt een opdracht geven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.


5. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 2.922,- in bezwaar, beroep en hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.







BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 juni 2012 voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand

van appellante over de periodes van 19 februari 2011 tot en met 8 augustus 2011 en van

25 augustus 2011 tot en met 11 november 2011 en voor zover het ziet op de terugvordering;

- herroept het besluit van 27 januari 2012 voor zover dat ziet op de intrekking over de

periodes van 19 februari 2011 tot en met 8 augustus 2011 en van 25 augustus 2011 tot en

met 11 november 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het

vernietigde gedeelte van het besluit van 26 juni 2012;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het

bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 118,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, voorzitter, en A.M. Overbeeke en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) C.M. Fleuren



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over duurzaam gescheiden leven.




RB