Centrale Raad van Beroep, 03-07-2015 / 13-6668 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:2244

Inhoudsindicatie
Weigering verzoek om terug te komen van. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Uit de gegevens die appellant heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn aanvraag en uit de overige voorhanden (medische) gegevens valt niet af te leiden dat appellant binnen vijf jaar na de in geding zijnde datum, 16 november 1997, wederom arbeidsongeschikt is geworden zoals bedoeld in artikel 43a van de WAO.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-03
Publicatiedatum
2015-07-09
Zaaknummer
13-6668 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6668 WAO

Datum uitspraak: 3 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 oktober 2013, 13/2158 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Knobben, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 augustus 2014 heeft mr. Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aarnoudse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

F. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1969, is op 28 mei 1996 wegens rugklachten uitgevallen voor zijn werk als hulpmedewerker in een drukkerij. Aan hem is over de maximale periode van

52 weken op grond van de Ziektewet ziekengeld betaald.


1.2.

Met ingang van 27 mei 1997 is appellant voorlopig een uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in afwachting van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.


1.3.

Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is bij besluit van

17 september 1997 de AAW- en WAO-uitkering met ingang van 16 november 1997 ingetrokken, onder de overweging dat appellant met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.


1.4.

Het tegen het besluit van 17 september 1997 gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 3 maart 1998 ongegrond verklaard. Het beroep tegen laatstgenoemd besluit is door de toenmalige rechtbank Zutphen bij uitspraak van 24 september 1999, 98/368, ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 21 augustus 2001, 99/5746, de uitspraak van de rechtbank Zutphen bevestigd.


1.5.

Op 5 november 2012 heeft appellant zich tot het Uwv gewend met een verzoek hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft hij bij brief van 30 november 2012 een door fysiotherapeut M. Voskuilen ondertekend ontslagbericht van 2 februari 2010 overgelegd waarin melding wordt gemaakt van een operatie ‘disectomie, L4-L5 beiderzijds’ op 27 januari 2010. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 17 september 1997 en heeft hierop bij besluit van 17 januari 2013 afwijzend beslist onder de overweging dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die ertoe leiden dat het besluit van 17 september 1997 onjuist is. Bij beslissing op bezwaar van 4 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 17 januari 2013 gehandhaafd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant ter zitting heeft bevestigd dat zijn verzoek van 5 november 2012 ertoe strekt dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 17 september 1997. Het Uwv heeft hetgeen appellant uiterlijk in de bezwaarfase ter onderbouwing van zijn verzoek heeft aangevoerd terecht niet aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De namens appellant in beroep overgelegde medische informatie moet, aldus de rechtbank, in verband met de uitspraak van de Raad van 9 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0933, buiten beschouwing worden gelaten.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant, kort samengevat, aangevoerd dat op grond van de destijds beschikbare stukken al duidelijk was dat in 1996 en 1997 appellant arbeidsongeschikt was wegens de bij hem toen bestaande rugklachten. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Dit blijkt onder meer hieruit dat hij in 2010 is geopereerd aan de rug. Ten onrechte heeft de rechtbank de in beroep overgelegde informatie buiten beschouwing gelaten.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Uit de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, blijkt dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid, of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.


4.2.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.


4.3.

Met het verzoek van 5 november 2012 heeft appellant beoogd dat het Uwv terugkomt van het besluit van 17 september 1997. Ter zitting is vast komen te staan dat hij daarnaast een beroep heeft willen doen op een regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat hij om herziening heeft verzocht voor de toekomst.


4.4.1.

Voor zover het verzoek betrekking heeft op de datum waarop het besluit van

17 september 1997 betrekking had, is appellant overeenkomstig artikel 4:6 van de Awb gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen.


4.4.2.

Bij haar toetsing van het bestreden besluit heeft de rechtbank met betrekking tot artikel 4:6 van de Awb het juiste toetsingskader gehanteerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld en afdoende gemotiveerd dat appellant bij zijn verzoek van 5 november 2012 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb. In het bijzonder zijn er geen nieuwe medische feiten over de gezondheidssituatie van appellant op 16 november 1997 naar voren gebracht. De overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid, onderschrijft de Raad. De door appellant bij zijn verzoek overgelegde informatie van 2 februari 2010 van de fysiotherapeut bevat geen nieuwe gezichtspunten over zijn arbeidsongeschiktheid per 16 november 1997. Terecht heeft de rechtbank met verwijzing naar de in overweging 2 vermelde uitspraak van de Raad overwogen dat de namens appellant in beroep overgelegde medische informatie buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vraag of zich nieuwe feiten of veranderde omstandigheden voordoen. De ter zitting genoemde brief van 24 april 2007 laat de Raad om die reden ook buiten beschouwing. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij de desbetreffende gegevens niet eerst in beroep, maar eerder aan zijn toenmalige gemachtigde had aangeleverd, die verzuimd heeft die gegevens eerder te overleggen. Dit is volgens appellant een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de rechtbank die gegevens had moeten betrekken in haar beoordeling. Deze grond kan niet slagen. Wat er van dit argument verder zij, een eventueel verzuim van zijn gemachtigde komt voor risico van appellant. In zo’n verzuim is dan ook niet een bijzondere omstandigheid gelegen die de rechtbank aanleiding had moeten geven tot een andere beslissing te komen.


4.5.1.

Voor zover appellant met de aanvraag heeft beoogd tevens een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid te doen, moet hij feiten of omstandigheden aandragen die deze melding ondersteunen. Het Uwv heeft niet onderzocht of er aanleiding bestaat in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid de uitkering te heropenen. Er zijn echter voldoende gegevens beschikbaar om tot een eindoordeel te komen.


4.5.2.

Uit de gegevens die appellant heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn aanvraag en uit de overige voorhanden (medische) gegevens valt niet af te leiden dat appellant binnen vijf jaar na de in geding zijnde datum, 16 november 1997, wederom arbeidsongeschikt is geworden zoals bedoeld in artikel 43a van de WAO. In het bijzonder komt dit niet naar voren uit de bij appellants aanvraag gevoegde informatie over de operatie op 27 februari 2010 en uit de in eerste aanleg overgelegde medische gegevens. Voorts valt ook uit de vermelding in het journaal van de huisarts dat op 11 april 2002 sprake was van acute lumbago met uitstraling naar het rechterbeen en uit de verwijzing op 19 augustus 2004 voor nieuw onderzoek in verband met die rugklachten bij gebreke van nadere gegevens in dit journaal over het verdere beloop in 2002 en het nieuwe onderzoek in 2004 niet op te maken dat binnen de hiervoor bedoelde vijf jaar sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid.


4.6.

Voor zover de aanvraag betrekking had op de toekomst, stelt de Raad vast dat appellant uiterlijk in de bezwaarfase enkel informatie heeft overgelegd van 2 februari 2010 van de fysiotherapeut in verband met een rugoperatie op 27 januari 2010. Die informatie bevat geen feiten en omstandigheden die tenminste ook zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum, 16 november 1997, zodat er voor het Uwv geen aanleiding was tot nader onderzoek. Nu de aanvraag niet uiterlijk in de bezwaarfase toereikend is gemotiveerd, kunnen de in beroep aangedragen bewijsstukken, wat daarvan verder zij, buiten beschouwing worden gelaten. De Raad concludeert dat de aanvraag, voor zover die betrekking heeft op de toekomst, niet tot een voor appellant gunstiger besluit had kunnen leiden.


5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het onder verbetering van gronden.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2015.



(getekend) C.W.J. Schoor




(getekend) W. de Braal




NK