Centrale Raad van Beroep, 08-07-2015 / 14-1680 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:2246

Inhoudsindicatie
Buiten toepassing laten paragraaf 7 Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 wegens onevenredige gevolgen voor eigen risicodrager. Intrekking toekenningsbesluit WW.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-08
Publicatiedatum
2015-07-09
Zaaknummer
14-1680 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2015/252
  • TRA 2016/8 met annotatie van M.J.A.C Driessen/N. Gundt
  • USZ 2015/281 met annotatie van G.C. Boot
Uitspraak

14/1680 WW

Datum uitspraak: 8 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

13 februari 2014, 13/798 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Werkgeefster] te [vestigingsplaats] (werkgeefster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werknemer] (werknemer)

PROCESVERLOOP

Namens werkgeefster heeft mr. J.A. Gimbrère, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens werknemer heeft mr. D. Kuijken, advocaat, een zienswijze gegeven en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2015. Namens werkgeefster zijn verschenen mr. Gimbrère, zijn kantoorgenoot mr. E.A.C. van de Wiel, drs. E.R. Veenstra en J.H. Feringa. Het Uwv, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel. Namens werknemer is verschenen mr. Kuijken.

OVERWEGINGEN


1.1.

Werkgeefster is een vennootschap waarin het personeel van de [naam Groep] is ondergebracht. De groep exploiteert infrastructuur waarlangs gas en elektriciteit aan eindverbruikers wordt geleverd. Deze economische activiteit vindt plaats in [naam Holding] en een aantal dochtervennootschappen.


1.2.

Werknemer was sinds 1 februari 2000 werkzaam voor [naam Holding], laatstelijk als enig statutair bestuurder van deze vennootschap. Werknemer had een arbeidsovereenkomst met werkgeefster.


1.3.

Medio 2012 is werknemer onderwerp geworden van een strafrechtelijk onderzoek. Hij werd ervan verdacht te zijn omgekocht in het kader van de verkoop van een deel van de onderneming van [naam Holding] aan [naam bedrijf] in 2006. In verband met deze verdenking is werknemer enige tijd in preventieve hechtenis geweest. Op 29 juni 2012 heeft de Algemene vergadering van aandeelhouders van [naam Holding] besloten om werknemer als statutair bestuurder te ontslaan.


1.4.

Naar aanleiding van dit besluit heeft werkgeefster het Uwv Werkbedrijf verzocht om toestemming voor ontslag van werknemer. Op 5 september 2012 heeft Uwv Werkbedrijf besloten dat voor ontslag van werknemer geen ontslagvergunning is vereist. Vervolgens heeft werkgeefster bij brief van 21 september 2012 de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd met inachtneming van de voor hem geldende opzegtermijn tegen

31 december 2012.


1.5.

Begin december 2012 is werknemer opnieuw in preventieve hechtenis genomen. Werknemer werd ervan verdacht, samen met anderen, [naam Holding] voor miljoenen euro’s te hebben opgelicht. Bij brief van 10 december 2012, gericht aan de advocaat van werknemer, is werknemer opgedragen om terstond na zijn vrijlating contact op te nemen met de voorzitter van de Raad van Commissarissen (RvC) van [naam Holding]. Daarbij is aangekondigd dat op de kortst mogelijke termijn na de vrijlating van werknemer een gesprek zal worden gearrangeerd waarbij werknemer aan een afvaardiging van de RvC van

[naam Holding] verantwoording zal moeten afleggen over de onder zijn leiding door [naam Holding] gedane investeringen in [naam B.V.] en haar dochtervennootschappen, alsmede over zijn onmiddellijke of middellijke betrokkenheid bij deze vennootschappen. In de brief zijn een aantal vragen opgenomen die tijdens het gesprek aan de orde zouden komen. Tevens is aangekondigd dat wanneer werknemer weigert de gevraagde verantwoording af te leggen hij op staande voet zal worden ontslagen en dat hetzelfde geldt wanneer hij de opdracht om onmiddellijk na zijn vrijlating contact op te nemen, niet naleeft.


1.6.

Nadat werknemer omstreeks 20 december 2012 was vrijgelaten uit preventieve hechtenis is zijn advocaat bij e-mail van 21 december 2012 meegedeeld dat werknemer op donderdag 27 december 2012 om 16:00 uur werd verwacht voor een gesprek met de RvC van

[naam Holding]. In deze e-mail is herhaald dat ingeval werknemer niet zou verschijnen dan wel zou weigeren de gevraagde verantwoording af te leggen, hij op staande voet zal worden ontslagen. Werknemer heeft zich niet terstond na zijn vrijlating gemeld bij de voorzitter van de RvC en is op 27 december 2012 niet verschenen op het verantwoordingsgesprek. Werknemer heeft op 27 december 2012 voorafgaande aan de bespreking via een kantoorgenoot van zijn advocaat [naam Holding] per e-mail laten weten dat hij niet zonder zijn advocaat zou verschijnen.


1.7.

Bij brief van 31 december 2012 heeft werkgeefster werknemer op staande voet ontslagen. Het niet onmiddellijk opnemen van contact met de voorzitter van de RvC en de weigering om te verschijnen op 27 december 2012 leveren voor werkgeefster ieder afzonderlijk en ook in combinatie redenen op voor ontslag op staande voet. Werkgeefster acht het onacceptabel dat werknemer, onder wiens leiding destijds deze zaken zich hebben afgespeeld, niet prompt een dergelijke verantwoording heeft afgelegd, zeker ook gezien de commotie en de schadelijke persberichten. Werknemer was schriftelijk gewaarschuwd. De mededeling van werknemer dat hij niet zonder zijn advocaat wenste te verschijnen, leverde volgens werkgeefster geen geldige reden op om weg te blijven, omdat hij zich tijdens dat gesprek door iemand anders, bijvoorbeeld een kantoorgenoot van zijn advocaat, had kunnen laten bijstaan. Werkgeefster heeft tevens gesteld dat, door het niet verschijnen en de door de RvC gestelde vragen niet schriftelijk te beantwoorden, werknemer niets heeft kunnen afdoen aan de constateringen die werkgeefster heeft gedaan, waarbij werkgeefster een zestal feiten en omstandigheden heeft benoemd. Ook deze feiten en omstandigheden vormden voor werkgeefster dringende redenen voor ontslag. Blijkens de gedingstukken is de brief waarin werknemer het ontslag op staande voet is aangezegd op 31 december 2012 ter post bezorgd en tevens door J.H. Feringa en

A. Boxum om 15:20 uur, toen zij werknemer thuis niet aantroffen, in de brievenbus van diens woning gedeponeerd.


1.8.

Werknemer heeft bij het Uwv een aanvraag om uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Bij besluit van 8 februari 2013 heeft het Uwv werknemer met ingang van 1 januari 2013 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.


1.9.

Werkgeefster heeft, als eigen risicodrager bij dit besluit, bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is geen sprake van verwijtbare werkloosheid. Het Uwv heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het ontslag op staande voet niet aan de werkloosheid ten grondslag ligt, omdat de dienstbetrekking door het in september 2012 aangezegde ontslag al met ingang van 31 december 2012 was geëindigd. Subsidiair heeft het Uwv gesteld dat, zelfs al zou het in september 2012 aangezegde ontslag per 1 januari 2013 zijn ingetreden, het niet aannemelijk is dat het ontslag op staande voet aan de per 1 januari 2013 ontstane werkloosheid ten grondslag ligt.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van werkgeefster gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven, het verzoek om schadevergoeding van werkgeefster afgewezen en bepalingen gegeven over proceskosten in beroep en griffierecht.


2.2.

Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is de ontslagbrief van

21 september 2012 zo te lezen dat de dienstbetrekking, in afwijking van hetgeen gebruikelijk is, reeds op 31 december 2012, voorafgaande aan het ’s middags gegeven ontslag op staande voet, zou zijn beëindigd. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat het Uwv in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de vraag of aan het ontslag op staande voet op

31 december 2012 een dringende reden ten grondslag ligt en welke gevolgen dat in het licht van de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 (beleidsregels) heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het bestreden besluit opgenomen subsidiaire standpunt dat er geen causaal verband is tussen het ontslag op staande voet en de ontstane werkloosheid te kort door de bocht en daarmee niet deugdelijk gemotiveerd.


2.3.

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten, omdat zij van oordeel is dat aan het ontslag van 31 december 2012 geen subjectief dringende reden ten grondslag ligt aangezien aan het ontslag op staande voet geen financiële consequenties waren verbonden voor werkgeefster. De rechtbank heeft daarbij met name gewezen op paragraaf 7 van de beleidsregels, waaruit volgt dat het ontslag op staande voet slechts tot consequentie kan hebben dat een maatregel wordt opgelegd voor de duur van de periode dat werknemer nog in dienst had kunnen zijn. Anders dan werkgeefster heeft de rechtbank de beleidsregels niet in strijd met de wetssystematiek en overigens ook redelijk geacht.


3.1.

Het hoger beroep van werkgeefster is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit en tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Werkgeefster heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat de rechtbank miskent dat aan het ontslag op staande voet van 31 december 2012 (ook) subjectief een dringende reden ten grondslag ligt, dat de rechtbank de artikelen 24 en 27 van de WW en de betekenis en strekking van de beleidsregels miskent en dat rechtbank ook miskent dat aan het ontslag van 21 september 2012 een dringende reden ten grondslag ligt.


3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat aan de werkloosheid van werknemer geen dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens het Uwv is de werkloosheid ontstaan door de opzegging op 21 september 2012 en was er op dat moment geen sprake van een dringende reden voor ontslag. Het gegeven ontslag op staande voet op 31 december 2012 heeft niet tot gevolg gehad dat er op een eerder moment werkloosheid is ontstaan, omdat het loon is doorbetaald tot en met 31 december 2012.


3.3.

Werknemer heeft in hoger beroep betoogd dat aan het ontslag van 31 december 2012 geen arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt en, indien dat wel het geval zou zijn, het Uwv gebonden is aan zijn beleid zoals neergelegd in paragraaf 7 van de beleidsregels.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.


4.2.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW weigert het Uwv de uitkering blijvend geheel indien de werknemer de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van die verplichting hem niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uwv de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken. Het Uwv kan op grond van artikel 27, achtste lid, van de WW afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.


4.3.

In de beleidsregels is in paragraaf 7, met als titel ’Duur van de maatregel bij niet-verwijtbare eindiging van de dienstbetrekking binnen 3 maanden na een verwijtbare eindiging’, het volgende bepaald: ”De hoofdregel is dat bij verwijtbare werkloosheid door Uwv een blijvend gehele weigering wordt opgelegd of een verlaging van de uitkering tot 35% gedurende (maximaal) 26 weken (bij verminderde verwijtbaarheid). Op deze hoofdregel wordt één uitzondering gemaakt. Die uitzondering geldt voor situaties waarin weliswaar sprake is van verwijtbare werkloosheid, maar tevens vaststaat dat de dienstbetrekking binnen drie maanden niet verwijtbaar zou zijn geëindigd. In dat geval wordt door UWV een maatregel wegens benadeling opgelegd voor de duur van de periode dat de werknemer nog in dienst had kunnen zijn.” In de toelichting bij deze paragraaf is vermeld dat het Uwv bij de toepassing van het met ingang van 1 oktober 2006 in werking getreden artikel 24 WW zijn beleid, zoals vastgesteld naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van

13 september 2000 (RSV 2001/5), voortzet.


4.4.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord door welk ontslag werknemer werkloos is geworden. Niet (langer) in geschil is dat de dienstbetrekking van appellant met het op

21 september 2012 gegeven ontslag zou eindigen per 1 januari 2013. Anders dan het Uwv heeft gesteld is werknemer op 31 december 2012 werkloos geworden door het ontslag op staande voet. Op die datum heeft werknemer zijn arbeidsuren verloren alsmede zijn recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren, terwijl hij beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Daarmee voldeed hij aan de voorwaarden van artikel 16, eerste lid, van de WW, zoals die bepaling luidde tot 1 januari 2013. Het feit dat werknemer feitelijk tot en met 31 december 2012 loon zou zijn doorbetaald doet daaraan niet af.


4.5.

Het verweer van werknemer dat het ontslag op staande voet hem niet is aangezegd, omdat de ontslagbrief van 31 december 2012 hem niet heeft bereikt aangezien hij met vakantie was, wordt verworpen. Werknemer heeft de ontslagbrief op 31 december 2012 ontvangen, nu uit de stukken blijkt dat de ontslagbrief op die dag om 15:20 uur in de brievenbus van zijn woning is gedeponeerd. Werkgeefster heeft in dit verband terecht gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104.



4.6.

Ter beoordeling staat de vraag of werknemer door het ontslag op staande voet van

31 december 2012 verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Voor dat oordeel is niet bepalend de wijze waarop het dienstverband is geëindigd. Er dient een materiële beoordeling plaats te vinden, waarbij zowel de objectieve dringendheid van de door de werkgeefster meegedeelde ontslagreden, als de subjectieve dringendheid van die reden en de overige relevante aspecten, waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, moeten worden betrokken (onder meer ECLI:NL: CRVB:2009:BH2387).


4.7.

Het niet onmiddellijk na zijn vrijlating opnemen van contact met de voorzitter van de RvC van [naam Holding] en de weigering te verschijnen op 27 december 2012 om verantwoording af te leggen tegenover de RvC vormt in de gegeven omstandigheden een objectief dringende reden voor ontslag. Werknemer werd verdacht van zeer ernstige strafbare feiten waarbij hij [naam Holding] voor miljoenen euro’s zou hebben benadeeld. Werknemer was in verband met deze verdenkingen in voorlopige hechtenis genomen. De verdenkingen hebben, naar werkgeefster onweersproken heeft gesteld, geleid tot commotie onder het personeel en negatieve publicaties in de media. Mede gelet op de functie van werknemer, waarbij hij als enig statutair bestuurder bevoegd was [naam Holding] extern te vertegenwoordigen, is het evident dat het voor werkgeefster onacceptabel was dat werknemer zich na zijn vrijlating niet onmiddellijk heeft gemeld bij de RvC en heeft geweigerd om tegenover de RvC verantwoording af te leggen. Dat geldt zeker in het licht van de eerdere verdenking van omkoping die tegen werknemer was gerezen. De omstandigheid dat werknemer niet wilde verschijnen op het gesprek omdat zijn advocaat verhinderd was hem bij te staan, vormde geen geldige reden om weg te blijven. Zoals werkgeefster terecht heeft gesteld had werknemer zich tijdens het verantwoordingsgesprek kunnen laten bijstaan door een andere advocaat, bijvoorbeeld een kantoorgenoot van zijn advocaat. Werknemer heeft zich door zijn handelwijze schuldig gemaakt aan zodanige gedragingen dat van werkgeefster redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Daaraan doet niet af dat de arbeidsovereenkomst met werknemer enige uren later toch al zou zijn geëindigd door de opzegging van 21 september 2012. In de overige relevante aspecten, waaronder de persoonlijke omstandigheden van werknemer, zijn geen gronden gelegen voor een ander oordeel.


4.8.

Over de vraag of aan de werkloosheid ook een subjectief dringende reden ten grondslag ligt heeft werkgeefster terecht aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd. Voor de beantwoording van die vraag is niet maatgevend of het gegeven ontslag financiële consequenties heeft voor de werkgeefster, maar of de dringendheid blijkt uit de voortvarendheid waarmee werkgeefster heeft gereageerd. Uit de reactie van werkgeefster blijkt die voortvarendheid. Nadat werknemer op donderdag 27 december 2012 niet was verschenen op het verantwoordingsgesprek heeft de RvC diezelfde middag besloten tot het ontslag op staande voet dat werknemer vervolgens, na het daarop volgende weekend, bij brief van maandag 31 december 2012 is aangezegd.


4.9.

Uit wat onder 4.6 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat aan de werkloosheid van werknemer een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt. Werknemer kan ter zake een verwijt worden gemaakt. Nu er bovendien geen aanwijzingen zijn dat de werkloosheid werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten, was het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW, gehouden werknemer de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren.

4.10.

Werknemer heeft niet gesteld dat in zijn geval sprake is van dringende reden als bedoeld in artikel 27, achtste lid, van de WW op grond waarvan het Uwv bevoegd zou zijn af te zien van het opleggen van een maatregel. Volgens hem moest het Uwv op grond van zijn beleid zoals neergelegd in paragraaf 7 van de beleidsregels in het onderhavige geval afzien van het opleggen van een maatregel wegens verwijtbare werkloosheid.


4.11.

Als hoofdregel geldt dat een aan overtreding van de in artikel 24 van de WW specifiek omschreven verplichtingen verbonden maatregel het primaat heeft ten opzichte van een maatregel welke het gevolg is van het plegen van de in die bepaling in algemene termen aangeduide benadelingshandeling.


4.12.

In zijn uitspraak van 13 september 2000, ECLI:NL:CRVB:2000: ZB8966, heeft de Raad geoordeeld dat onder de in die uitspraak beschreven omstandigheden voorrang toekwam aan het opleggen van een maatregel wegens het plegen van een benadelingshandeling boven die wegens verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW (oud). In dat geval achtte de Raad dat niet in strijd met de door de wetgever bij de herziening van het sanctiestelsel in het kader van de Wet boeten, maatregelen, en terug- en invordering sociale zekerheid gemaakte afwegingen.


4.13.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het Uwv beleid vastgesteld dat voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van het primaat van de maatregel wegens verwijtbare werkloosheid in gevallen van vroegtijdige beëindiging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer in situaties waarbij het dienstverband korte tijd later toch (niet verwijtbaar) beëindigd zou zijn. Op grond van dit beleid kan worden volstaan met oplegging van een maatregel van een tijdelijk gehele weigering over de periode dat de werknemer nog bij zijn werkgeefster in dienst had kunnen zijn in verband met een benadelingshandeling op grond van artikel 24, zesde lid, van de WW (oud), als aan de volgende voorwaarden is voldaan: (1) Een arbeidsovereenkomst voor (on)bepaalde tijd is door werknemer vroegtijdig beëindigd. (2) Het staat vast dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd door de werkgeefster niet zou zijn verlengd c.q. de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet zou zijn voortgezet. (3) Het staat buiten twijfel dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst voor (on)bepaalde tijd de werknemer niet is aan te rekenen. (4) Tussen de datum eindiging arbeidsovereenkomst door de werknemer en de datum waarop de arbeidsovereenkomst voor (on)bepaalde tijd zou zijn geëindigd liggen niet meer dan 3 maanden. In zijn uitspraak van 1 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3005 heeft de Raad geoordeeld dat dit beleid, dat uitsluitend betrekking heeft op gevallen als dat van de werknemer in die zaak, die zelf de dienstbetrekking heeft beëindigd, blijft binnen de grenzen van een redelijke wetstoepassing.


4.14.

Anders dan in de toelichting bij paragraaf 7 van de beleidsregels is vermeld, bevat die paragraaf niet (alleen) een voortzetting maar een verruiming van het beleid zoals dat tot

1 oktober 2006 gold. Het Uwv heeft dit ter zitting erkend. Deze paragraaf is namelijk ook van toepassing op werknemers die niet zelf hun dienstbetrekking hebben beëindigd, verwijtbaar werkloos zijn geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en van wie tevens vaststaat dat die dienstbetrekking binnen drie maanden niet verwijtbaar zou zijn geëindigd. Ten aanzien van hen wordt volstaan met een weigering van WW-uitkering voor de duur van de periode van de periode dat de werknemer nog in dienst had kunnen zijn. Daarmee wordt ten gunste van deze werknemers afgeweken van artikel 27, eerste lid, van WW, dat in die gevallen een blijvend gehele weigering van WW-uitkering voorschrijft, en geen tijdelijke weigering maar alleen een tijdelijke verlaging van de WW-uitkering mogelijk maakt indien het niet nakomen van de verplichting verwijtbare werkloosheid te voorkomen, de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. Het bij volledige verwijtbaarheid over een periode van werkloosheid afzien van weigering van een

WW-uitkering aan deze werknemers is alleen mogelijk indien daarvoor dringende redenen als bedoeld in het achtste lid van dat artikel aanwezig zijn.


4.15.

De toelichting bij paragraaf 7 van de beleidsregels laat niet zien dat daarin is verdisconteerd de omstandigheid dat een werkgever voor het risico van werkloosheid van zijn werknemers eigenrisicodrager kan zijn. Toepassing van paragraaf 7 in gevallen dat sprake is van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW zou voor eigenrisicodragers tot gevolg hebben dat ondanks de aanwezigheid van een de werknemer toe te rekenen arbeidsrechtelijke dringende reden die werkgever toch als eigenrisicodrager de lasten van de WW-uitkering van zijn voormalige werknemer zou moeten dragen. De gevolgen van toepassing van paragraaf 7 moeten in die situatie als onevenredig voor de eigenrisicodrager worden bestempeld. In gevallen dat tegengestelde belangen van een eigenrisicodrager geen rol spelen, is het Uwv wel verplicht toepassing te geven aan paragraaf 7 van de beleidsregels, mits aan de in die paragraaf gestelde voorwaarden is voldaan.


4.16.

Werknemer is op 31 december 2012 verwijtbaar werkloos geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW (zie 4.4 en 4.9). Op grond van de nu beschikbare gegevens kan niet als vaststaand worden aangenomen dat zijn dienstbetrekking door de opzegging van 21 september 2012 toch al ‘binnen drie maanden niet verwijtbaar zou zijn geëindigd’. Uit wat in 4.14 en 4.15 is overwogen volgt, dat er ook dan grond is om paragraaf 7 van de beleidsregels in het geval van werknemer buiten toepassing te laten. Er bestaat voor het Uwv dus geen reden om af te zien van het opleggen van de maatregel van blijvend gehele weigering wegens verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW aan werknemer. Het betoog van werknemer (zie 3.3) wordt dan ook verworpen.


4.17.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van een WW-uitkering of trekt het een dergelijk besluit in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting van artikel 24 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een WW-uitkering. In de situatie waarin de intrekking of verlaging van een WW-uitkering voortvloeit uit een door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, vindt de intrekking of de verlaging op grond van artikel 23, eerste lid, van de WW plaats met ingang van de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt of de uitspraak is gedaan. In artikel 23, tweede lid, van de WW is bepaald dat het eerste lid van dat artikel niet geldt, indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.


4.18.

Uit 4.1 tot en met 4.17 volgt dat het hoger beroep van werkgeefster slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van

19 september 2013 in stand zijn gelaten, moet worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door met toepassing van artikel 23, eerste lid, van de WW het besluit van 8 februari 2013 in te trekken met ingang van 9 juli 2015, de dag volgend op die waarop uitspraak wordt gedaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat het Uwv tot nu toe aan werknemer WW-uitkering heeft verstrekt, niet aan zijn schuld of toedoen is te wijten.


4.19.

De aangevallen uitspraak moet ook worden vernietigd voor zover daarbij het verzoek van werkgeefster om te bepalen dat het Uwv de schade als gevolg van het onrechtmatige besluit van 8 februari 2013 dient te vergoeden, is afgewezen. Dit verzoek wordt alsnog toegewezen. De te vergoeden schade omvat de kosten die het Uwv wegens aan werknemer betaalde WW-uitkering ten onrechte op werkgeefster heeft verhaald. Over die kosten moet wettelijke rente worden vergoed. De wettelijke rente over die kosten is ingevolge artikel 4:102, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gaan lopen vanaf de dag dat de verhaalde kosten zijn afgeschreven van de bankrekening van werkgeefster. Na afloop van een jaar dient het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot de dag van algehele voldoening.


5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die werkgeefster heeft gemaakt in bezwaar en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.960,- voor verleende rechtsbijstand. De bepaling van de rechtbank over vergoeding van kosten in beroep blijft in stand.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 19 september 2013 in die zin dat het besluit van 8 februari 2013 wordt ingetrokken met ingang van 9 juli 2015;
  • - veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan werkgeefster van de schade zoals onder overweging 4.19 van deze uitspraak is vermeld;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van werkgeefster in bezwaar en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.960,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan werkgeefster het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 493,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) J.C. Hoogendoorn





sg