Centrale Raad van Beroep, 30-01-2015 / 13-5406 AKW


ECLI:NL:CRVB:2015:226

Inhoudsindicatie
In geschil is of de Poolse uitkering aangemerkt moet worden als een gezinsbijslag zoals in de Verordeningen bedoeld en zo ja, of deze gezinsbijslag van dezelfde aard is als de Nederlandse kinderbijslag. Krachtens artikel 12 van Vo 1408/71 is immers alleen sprake van een niet-gerechtvaardigde cumulatie wanneer recht bestaat op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard welke betrekking hebben op een zelfde tijdvak (arrest Wiering, punt 53). Ook de Raad is van oordeel dat de Poolse uitkering goed vergelijkbaar is met de Nederlandse TOG-uitkering en die van een andere aard is dan de kinderbijslag, die dient ter ondersteuning in de algemene kosten van levensonderhoud van de ten laste komende kinderen. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de Poolse uitkering en de Nederlandse kinderbijslag niet “van dezelfde aard” zijn in de zin van artikel 12 van Vo 1408/71 en dat de Poolse uitkering daarom niet in mindering op de kinderbijslag mag worden gebracht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-30
Publicatiedatum
2015-02-03
Zaaknummer
13-5406 AKW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/5406 AKW

Datum uitspraak: 30 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

26 augustus 2013, 11/3688 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats], Polen (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014. Betrokkene is - met bericht van verhindering - niet verschenen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene, afkomstig uit Polen, heeft vanaf 1 oktober 2008 in Nederland gewerkt. Zijn echtgenote en zijn zoon [naam zoon] (geboren [in] 2004) wonen in Polen. Ten behoeve van zijn zoon is met ingang van het vierde kwartaal van 2008 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan betrokkene toegekend. Poolse kinderbijslag is niet toegekend omdat het gezinsinkomen te hoog is. Wel heeft het gezin een Poolse uitkering ontvangen (Zasilek pielegnacyjny (nursing allowance), verder te noemen: Poolse uitkering) in verband met de zorg voor hun gehandicapte zoon. Deze uitkering is verstrekt gedurende de tijd dat de echtgenote van betrokkene werkzaamheden heeft verricht, vanaf 1 april 2009 tot

1 september 2009. Een in Nederland aangevraagde tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG) is afgewezen omdat niet voldaan was aan de voorwaarden.


1.2.

Bij besluit van 26 oktober 2009 heeft appellant het recht op kinderbijslag van betrokkene met ingang van het tweede kwartaal van 2009 gewijzigd, omdat de echtgenote van betrokkene ook een gezinsbijslag uit Polen krijgt. Hierdoor hoeft Nederland de Poolse uitkering slechts aan te vullen tot het bedrag van de Nederlandse kinderbijslag. Dit besluit is door appellant gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 1 december 2009. In de daarop gevolgde procedure heeft de rechtbank bij uitspraak van 21 april 2011 het besluit van 1 december 2009 vernietigd en de appellant opdracht gegeven tot het nemen van een nieuw besluit.


1.3.

Appellant heeft bij beslissing op bezwaar van 21 juli 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene wederom ongegrond verklaard. Hieraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat onderzoek bij het Poolse orgaan naar de aard van de Poolse uitkering heeft uitgewezen dat het gaat om een gezinsbijslag en dat deze daarom in mindering moet worden gebracht op de Nederlandse kinderbijslag.


2. Van oordeel dat de Poolse uitkering niet kan worden aangemerkt als een gezinsbijslag in de zin van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71), heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.


3. In hoger beroep heeft appellant vastgehouden aan zijn standpunt dat de Poolse uitkering dient te worden gekwalificeerd als een gezinsbijslag in de zin van Vo 1408/71. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft appellant betoogd dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie (Hof) niet leidt tot een andere zienswijze, bijvoorbeeld dat de Poolse uitkering eerder als een uitkering bij ziekte zou moeten worden aangemerkt dan als een gezinsbijslag. Hierbij heeft appellant van doorslaggevend belang geacht dat de Poolse autoriteiten de Poolse uitkering aanmerken als gezinsbijslag en dat ook in de Poolse rechtspraak hiervan wordt uitgegaan. Appellant is voorts van mening dat ook het arrest van het Hof van 8 mei 2014, C-347/12, Wiering (arrest Wiering), geen ander licht werpt op de besluitvorming, nu de Poolse uitkering als gezinsbijslag tevens gekwalificeerd kan worden als kinderbijslag en daarmee een uitkering van “dezelfde aard” is als bedoeld in artikel 12 van Vo 1408/71.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op deze zaak zijn de tot 1 mei 2010 geldende Vo 1408/71 en Verordening (EEG)

nr. 574/72 (Vo 574/72) van toepassing (samen ook: Verordeningen).


4.1.1.

Artikel 1, sub u, van Vo 1408/71 bepaalt:

“i. (…) onder “gezinsbijslagen” (worden) verstaan alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, letter h, bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering van de in bijlage II vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte of adoptie;

ii. (…) onder “kinderbijslag” (wordt) verstaan de periodieke uitkeringen welke uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd worden toegekend.”


4.1.2.

Artikel 12, eerste lid, van Vo 1408/71 bepaalt:

“Krachtens deze verordening kan geen recht worden verkregen of gehandhaafd op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard welke betrekking hebben op een zelfde tijdvak van verplichte verzekering. (…)”


4.1.3.

Artikel 73 van Vo 1408/71 bepaalt:

“Onder voorbehoud van het bepaalde in bijlage VI heeft de werknemer of de zelfstandige op wie de wettelijke regeling van een lidstaat van toepassing is, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze staat woonden”


4.1.4.

Artikel 76, eerste lid, van Vo 1408/71 bepaalt:

“1. Wanneer gezinsbijslagen in hetzelfde tijdvak, voor hetzelfde gezinslid en wegens het uitoefenen van een beroepsactiviteit worden toegekend krachtens de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de gezinsleden wonen, wordt het recht op de gezinsbijslagen die krachtens de wetgeving van een andere lidstaat, in voorkomend geval uit hoofde van de artikelen 73 of 74, verschuldigd zijn, geschorst ten belope van het bedrag dat bij de wetgeving van de eerstgenoemde lidstaat is vastgesteld.”


4.1.5.

Artikel 10, eerste lid, van Vo 574/72 bepaalt:

“a) Het recht op gezins- of kinderbijslag die is verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, waarin voor het verkrijgen van het recht op deze bijslag geen voorwaarden inzake verzekering, werkzaamheden in loondienst of werkzaamheden anders dan in loondienst worden gesteld, wordt geschorst wanneer tijdens een zelfde tijdvak en voor een zelfde gezinslid bijslag is verschuldigd enkel krachtens de nationale wetgeving van een andere lidstaat of krachtens artikel 73, 74, 77 of 78 van de verordening, ten belope van het bedrag van die bijslag.

b) Wanneer echter op het grondgebied van eerstgenoemde lidstaat beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend:

i. i) in het geval van bijslag verschuldigd enkel krachtens de nationale wetgeving van een andere lidstaat of op grond van artikel 73 of 74 van de verordening, door degene die recht heeft op gezinsbijslagen of degene aan wie deze bijslag wordt uitbetaald, wordt het recht op gezinsbijslagen, verschuldigd enkel krachtens de nationale wetgeving van die andere lidstaat of krachtens deze artikelen, geschorst ten belope van het bedrag van de gezinsbijslagen zoals voorzien in de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan het gezinslid woont. De bijslag die wordt uitbetaald door de lidstaat op het grondgebied waarvan het gezinslid woont, komt ten laste van deze Staat;

(…)”


4.2.

Niet in geschil is dat betrokkene voor zijn zoon ten tijde in geding recht had op kinderbijslag ingevolge de AKW. Niet bestreden is voorts dat de kinderbijslag moet worden aangemerkt als een gezinsbijslag in de zin van de Verordeningen. Vastgesteld wordt dat op grond van bovenvermelde bepalingen in Polen bij voorrang recht op gezinsbijslagen bestaat voor de in geding zijnde periode van 1 april 2009 tot 1 september 2009. Dit betekent dat Nederland het recht op kinderbijslag schorst tot het bedrag van de door Polen daadwerkelijk uitbetaalde gezinsbijslag van dezelfde aard, ongeacht wie in de wettelijke regeling van de lidstaat van de woonplaats wordt aangewezen als rechtstreeks rechthebbende (vergelijk arrest Wiering, punten 47 tot en met 53). Nederland hoeft dan alleen de kinderbijslag uit te betalen voor zover die hoger is dan de Poolse gezinsbijslag.


4.3.

In geschil is of de Poolse uitkering aangemerkt moet worden als een gezinsbijslag zoals in de Verordeningen bedoeld en zo ja, of deze gezinsbijslag van dezelfde aard is als de Nederlandse kinderbijslag. Krachtens artikel 12 van Vo 1408/71 is immers alleen sprake van een niet-gerechtvaardigde cumulatie wanneer recht bestaat op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard welke betrekking hebben op een zelfde tijdvak (arrest Wiering, punt 53).


4.4.

In het midden kan worden gelaten of de Poolse uitkering een gezinsbijslag is als in de Verordeningen bedoeld, nu de Raad op grond van het hierna volgende tot de conclusie komt dat de Poolse uitkering en de Nederlandse kinderbijslag in elk geval niet kunnen worden aangemerkt als uitkeringen van dezelfde aard.


4.5.

Zoals het Hof in het arrest Wiering, onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak, heeft overwogen (punt 54) moeten socialezekerheidsuitkeringen worden geacht van dezelfde aard te zijn wanneer het voorwerp en de doelstelling alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn. Het vereiste van identieke berekeningsgrondslagen en toekenningsvoorwaarden, zou echter gezien de talrijke verschillen tussen de nationale stelsels van sociale zekerheid leiden tot een aanzienlijke beperking van de toepassing van het in artikel 12 van Vo 1408/71 vervatte cumulatieverbod. Dit zou in strijd zijn met het doel van dat verbod, niet-gerechtvaardigde cumulaties van sociale uitkeringen te vermijden (punt 55).


4.6.

Het Hof voegt daaraan toe dat Vo 1408/71 ziet op, enerzijds, de in artikel 1, sub u-i, omschreven “gezinsbijslagen”, en anderzijds de “kinderbijslag”, dat een categorie van de “gezinsbijslagen” is en wordt omschreven in artikel 1, sub u-ii. Bij de verschillende gezinsbijslagen die een migrerende werknemer kan ontvangen op grond van de wetgeving van tewerkstelling en die wordt ontvangen op grond van de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats, is er dan ook niet noodzakelijk sprake van uitkeringen “van dezelfde aard” in de zin van artikel 12 van Vo 1408/71 (punten 57 en 58). Hoewel die gezinsbijslagen overeenkomstig artikel 1, sub u-i, van Vo 1408/71 beogen de gezinslasten te bestrijden, hebben zij niet noodzakelijkerwijs allemaal hetzelfde specifieke voorwerp, en evenmin dezelfde kenmerken of rechthebbenden (punt 59). Bovendien zijn slechts een deel van de gezinsbijslagen kinderbijslagen in de zin van artikel 1, sub u-ii, van Vo 1408/71 (punt 60).


4.7.

Uit het dossier, waaronder de van de Poolse autoriteiten verkregen informatie, blijkt dat de Poolse uitkering bestaat uit een inkomensonafhankelijke toelage voor medische zorg die wordt toegekend aan onder andere de ouders van een gehandicapt kind jonger dan 16 jaar. Het gaat dus om een uitkering die is bedoeld om kosten te dekken die worden gemaakt binnen het gezin in verband met de zorg voor een invalide kind. Het Poolse ministerie van Arbeid en Sociale Zekerheid heeft in de mail van 5 februari 2014 op vragen van appellant aangegeven deze Poolse uitkering als gezinsbijslag vergelijkbaar te achten met de Nederlandse

TOG-uitkering. Deze kwalificatie is door appellant niet bestreden. Ook de Raad is van oordeel dat de Poolse uitkering goed vergelijkbaar is met de Nederlandse TOG-uitkering, die immers als voornaamste doelstelling heeft het bieden van een financiële tegemoetkoming in de kosten van het thuis verzorgen van een gehandicapt kind. Dit type uitkering is dan ook van een andere aard dan de kinderbijslag die dient ter ondersteuning in de algemene kosten van levensonderhoud van de ten laste komende kinderen. Steun voor deze opvatting kan ook worden gevonden in het feit dat indien aan betrokkene ten tijde in geding een TOG-uitkering zou zijn toegekend, deze uitkering naast de kinderbijslag zou zijn uitbetaald. Dit betekent dat ook de Nederlandse wetgever in het tegelijkertijd ontvangen van een TOG-uitkering en kinderbijslag geen ongerechtvaardigde cumulatie van uitkeringen heeft gezien.


4.8.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de Poolse uitkering en de Nederlandse kinderbijslag niet “van dezelfde aard” zijn in de zin van artikel 12 van Vo 1408/71 en dat de Poolse uitkering daarom niet in mindering op de kinderbijslag mag worden gebracht.


4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt, met dien verstande dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.


5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 21 juli 2011.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) B. Rikhof




JvC