Centrale Raad van Beroep, 30-01-2015 / 13-2691 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:227

Inhoudsindicatie
Weigering AOW-uitkering op de aan artikel 8b van de AOW ontleende grond dat appellant in detentie verblijft. Geen schending van artikel 1 van het EP en artikel 14 van het EVRM. De toepassing van artikel 8b van de AOW voldoet aan de in artikel 1 van het Eerste Protocol besloten liggende voorwaarden voor de rechtvaardiging van een aantasting van het eigendomsrecht. Bij de beoordeling van het beroep dat appellant doet op artikel 14 van het EVRM kan worden volstaan met de overweging dat zo al kan worden aangenomen dat er sprake is van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte onderscheid. Artikel 14 van het EVRM verplicht niet tot een subsidiairiteitstoetsing door de rechter. Het gaat de rechtsvormende taak van de Nederlandse rechter te buiten om bij een toetsing als hier aan de orde een strengere maatstaf aan te leggen dan nodig is om de door het EVRM gegarandeerde minimumbescherming te realiseren. Een dergelijke toetsing zou namelijk leiden tot een niet te legitimeren inbreuk op de voor de Nederlandse rechtsorde cruciale scheiding der machten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-30
Publicatiedatum
2015-02-03
Zaaknummer
13-2691 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

13/2691 AOW

Datum uitspraak: 30 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

6 mei 2013, 13/38 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tijhuis. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, geboren [in] 1947, heeft met een formulier van 14 mei 2012 bij de Svb een ouderdomspensioen naar de norm voor een ongehuwde aangevraagd op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Uit dit formulier kan worden afgeleid dat appellant verblijft in een inrichting voor de verpleging van terbeschikkinggestelden (tbs-kliniek).


1.2.

De Svb heeft bij besluit van 22 juni 2012 afwijzend beslist op de aanvraag van appellant op de aan artikel 8b van de AOW ontleende grond dat appellant in detentie verblijft.


1.3.

Bij besluit van 13 december 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 juni 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is het standpunt verworpen dat de Svb artikel 8b van de AOW buiten toepassing had moeten laten wegens strijd met eenieder verbindende bepalingen van verdragsrecht.


3.1.

In hoger beroep stelt appellant zich opnieuw en nader beargumenteerd op het standpunt dat de Svb artikel 8b van de AOW bij het bestreden besluit buiten toepassing had moeten laten, omdat toepassing van artikel 8b van de AOW in zijn geval onverenigbaar is met het recht op bescherming van eigendom als gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met het discriminatieverbod dat is opgenomen in artikel 14 van het EVRM. Appellant benadrukt dat AOW-ouderdomspensioenen een ander karakter hebben dan uitkeringen op grond van de andere sociale zekerheidswetten, aangezien de AOW voorziet in een inkomens- en vermogensonafhankelijke uitkering die in de eerste plaats is gerelateerd aan het aantal jaren van verzekering voor de AOW. Verder benadrukt appellant dat hij zijn hele arbeidzame leven premies heeft betaald voor de verzekering voor de AOW. Appellant betoogt dat de positie van tbs’ers die in een tbs-kliniek verblijven, verschilt van de positie van degenen die anderszins rechtens hun vrijheid is ontnomen en dat dit consequenties moet hebben in het kader van de beoordeling van het recht op een AOW-ouderdomspensioen. Appellant vindt de positie van een gewezen verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en wegens tbs in een tbs-kliniek verblijft, meer lijken op de positie van een pensioengerechtigde die in een AWBZ-instelling verblijft; beiden (moeten) worden behandeld als patiënt. Voor het onderscheid dat ingevolge artikel 8b van de AOW bij de toekenning van

AOW-ouderdomspensioenen wordt gemaakt tussen - aan de ene kant - gewezen verzekerden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en wegens tbs in een tbs-kliniek verblijven en - aan de andere kant - gewezen verzekerden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en die niet rechtens hun vrijheid is ontnomen, ziet appellant geen objectieve en redelijke rechtvaardiging. De wetgever had volgens appellant ten minste moeten kiezen voor een voor eerstgenoemde groep minder bezwarend middel om zijn doeleinden na te streven dan een regeling die voorziet in een volledige uitsluiting van het recht op een

AOW-ouderdomspensioen over periodes van verblijf in een tbs-kliniek. Bijvoorbeeld door een regeling tot stand te brengen die slechts voorziet in een korting op het

AOW-ouderdomspensioen voor kost en inwoning over periodes van verblijf in een

tbs-kliniek.


3.2.

De Svb heeft beargumenteerd verweer gevoerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

De Svb heeft in overeenstemming met artikel 8b, eerste lid, van de AOW geweigerd om een ouderdomspensioen aan appellant toe te kennen op de grond dat aan appellant rechtens zijn vrijheid is ontnomen. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de AOW is een aantal uitzonderingen opgenomen op het in artikel 8b van de AOW neergelegde uitgangspunt dat wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht heeft op een ouderdomspensioen op grond van die wet, maar de situatie waarin appellant verkeert valt niet onder die uitzonderingen. Verder is de situatie waarin appellant verkeert evenmin ingevolge eerdere rechtspraak (zoals ECLI:NL:CRVB:2013:1858) gelijk te stellen met een situatie die wel valt onder die uitzonderingen, omdat de opname van appellant in een tbs-kliniek is voorafgegaan door een langdurige gevangenisstraf. In geschil is uitsluitend of de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 8b van de AOW verenigbaar is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en met artikel 14 van het EVRM.

4.2.1.

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (Eerste Protocol) luidt in de Nederlandse vertaling:

“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”


4.2.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 8b, eerste lid, van de AOW heeft geleid tot aantasting van een door artikel 1 van het Eerste Protocol beschermd eigendomsrecht.


4.2.3.

Wel is tussen partijen in geschil of de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 8b van de AOW voldoet aan de in artikel 1 van het Eerste Protocol besloten liggende voorwaarden voor de rechtvaardiging van een aantasting van het eigendomsrecht. In dit kader moet worden bezien of de aantasting bij wet is voorzien. Verder dient te worden getoetst of de aantasting van het eigendomsrecht een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en of er een behoorlijk evenwicht is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de Staat heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de aantasting van het eigendomsrecht een onevenredig zware last (‘an individual and excessive burden’) moet dragen.


4.2.4.

De door appellant aangevochten aantasting van zijn recht op ouderdomspensioen is bij wet voorzien. Deze aantasting volgt immers direct uit toepassing van het dwingendrechtelijke artikel 8b van de AOW.

4.2.5.

Voor artikel 8b van de AOW per 1 juli 2009 in werking trad, werd er ingevolge de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant degenen die in aanmerking komen voor een AOW-ouderdomspensioen, en aan de andere kant degenen die in aanmerking zouden zijn gekomen voor een uitkering op grond van een andere sociale zekerheidswet, indien hen niet rechtens hun vrijheid was ontnomen. Tot dat moment voorzag de AOW namelijk niet in het beëindigen of het niet ontstaan van het recht op ouderdomspensioen over periodes waarin gewezen verzekerden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt rechtens hun vrijheid is ontnomen.

4.2.6.

Toepassing van de Wsg leidt volgens vaste rechtspraak in de regel niet tot schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. De Raad herinnert in dit verband aan zijn uitvoerig gemotiveerde uitspraken van 18 juni 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680), van 12 november 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AR6512), van 14 juli 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT9595) en van

2 december 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU7320).


4.2.7.

Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 8b van de AOW (Kamerstukken II, 31525, nr. 3) is af te leiden dat de wetgever ervoor heeft gekozen om het onder punt 4.2.5 beschreven onderscheid tussen de AOW en andere sociale zekerheidswetten op te heffen, omdat het de bedoeling van de wetgever is dat voortaan in beginsel niemand aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen nog vermogen op kan bouwen dankzij uit de collectieve middelen bekostigde uitkeringen. Dit is een legitiem doel dat mede kan worden nagestreefd door toepassing van artikel 8b van de AOW. Er is dan ook geen grond om de toepassing van artikel 8b van de AOW in het kader van een toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol anders te beoordelen dan de toepassing van de Wsg. Daar doet niet aan af dat AOW-ouderdomspensioenen een ander karakter hebben dan uitkeringen op grond van de andere sociale zekerheidswetten. Appellant benadrukt dat hij zijn hele arbeidzame leven premies heeft betaald voor de verzekering voor de AOW. Met betrekking hiertoe wordt overwogen dat de AOW is gebaseerd op een omslagstelsel. Met de premies voor de AOW die appellant gedurende zijn arbeidzame leven heeft betaald, zijn derhalve ouderdomspensioenen bekostigd van verzekerden voor de AOW die de pensioengerechtigde leeftijd eerder hebben bereikt dan appellant. Een ouderdomspensioen voor appellant zou moeten worden bekostigd uit de premies voor de AOW die worden opgebracht door de huidige generaties werkenden en uit andere collectieve middelen. Gelet op de beweegredenen van de wetgever en de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, kan niet staande worden gehouden dat aan artikel 8b van de AOW een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Bij eerdere uitspraken oordeelde de Raad in gelijke zin. In dit verband wordt herinnerd aan ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9462 en ECLI:NL:CRVB:2014:116. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat toepassing van artikel 8b van de AOW voor tbs’ers zoals appellant leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is niet gebleken. Daarbij wordt aangetekend dat indien alsnog een AOW-ouderdomspensioen aan appellant zou worden toegekend over een periode waarin hij in een tbs-kliniek verblijft, dit ertoe kan leiden dat appellant alsnog een (hoge) eigen bijdrage voor de AWBZ verschuldigd wordt.


4.3.1.

Appellant betoogt dat de positie van degenen die net als hij wegens tbs in een tbs-kliniek verblijven, verschilt van de positie van degenen die anderszins rechtens hun vrijheid is ontnomen, en dat hij voor de toepassing van de AOW op grond van de hem opgelegde tbs ongerechtvaardigd wordt benadeeld ten opzichte van gewezen verzekerden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en die niet rechtens hun vrijheid is ontnomen, en meer in het bijzonder ten opzichte van pensioengerechtigden die in een AWBZ-instelling verblijven. In dit verband heeft appellant het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit strijdig is met het verbod op discriminatie dat is opgenomen in artikel 14 van het EVRM. Artikel 14 van het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:


“Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.”


4.3.2.

Met betrekking tot het beroep dat appellant doet op artikel 14 van het EVRM wordt allereerst overwogen dat indien de bij het bestreden besluit gehandhaafde toepassing van artikel 8b, eerste lid, van de AOW binnen het toepassingsbereik valt van artikel 1 van het Eerste Protocol, dit impliceert dat appellant in dit geding ook een beroep toekomt op het accessoire discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM. Verder komt appellant hoe dan ook een beroep toe op artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarin discriminatieverboden zijn opgenomen die in hoofdzaak gelijk zijn aan het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM. Een uitdrukkelijke toetsing aan artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en aan artikel 26 van het IVBPR blijft in dit geding achterwege, omdat appellant er geen uitdrukkelijk beroep op heeft gedaan en er geen grond is om bij de toetsing aan deze verdragsbepalingen strengere maatstaven aan te leggen dan bij de toetsing aan artikel 14 van het EVRM.


4.3.3.

Appellant doet een beroep op de ‘open norm’ van artikel 14 van het EVRM. Van een direct of indirect als verdacht ‘benoemd’ onderscheid, zoals onderscheid naar geslacht, ras of godsdienst is geen sprake. Dat appellant een beroep doet op de ‘open norm’ impliceert dat een zogenoemde ‘weighty reasons’ toets niet aan de orde is.


4.3.4.

Bij de beoordeling van het beroep dat appellant doet op artikel 14 van het EVRM kan worden gezegd dat er geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat aan appellant tbs is opgelegd en hij in een tbs-kliniek verblijft. Zijn situatie onderscheidt zich in zoverre wezenlijk van de situatie van gewezen verzekerden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en die niet rechtens hun vrijheid is ontnomen, aangezien laatstgenoemden in beginsel volledig zelfstandig moeten voorzien in de kosten van hun levensonderhoud en onderdak. De situatie van appellant onderscheidt zich verder eveneens wezenlijk van de situatie van pensioengerechtigden die in een AWBZ-instelling verblijven, aangezien laatstgenoemden in de regel een (hoge) eigen bijdrage voor de AWBZ verschuldigd zijn.


4.3.5.

Ook kan bij de beoordeling van het beroep dat appellant doet op artikel 14 van het EVRM worden volstaan met de overweging dat zo al kan worden aangenomen dat er sprake is van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte onderscheid. Een regeling die voorziet in het beëindigen of het niet ontstaan van het recht op ouderdomspensioen over periodes waarin gewezen verzekerden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt rechtens hun vrijheid is ontnomen, is immers een geschikt en passend middel om te voorkomen dat iemand aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vermogen op kan bouwen dankzij uit de collectieve middelen bekostigde uitkeringen. Daarbij heeft de wetgever, zonder de hem toekomende ruime beoordelingsmarge te overschrijden, ervoor kunnen kiezen om in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de AOW, met betrekking tot vormen van vrijheidsontneming die zowel kenmerken hebben van een strafrechtelijke sanctie of maatregel als van een ziekenhuisopname, slechts een beperkt aantal uitzonderingen op te nemen op het in artikel 8b van de AOW neergelegde uitgangspunt dat wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht heeft op een ouderdomspensioen op grond van die wet.

4.3.6.

Dat de positie van tbs’ers die in een tbs-kliniek verblijven verschilt van de positie van degenen die anderszins rechtens hun vrijheid is ontnomen, doet niets af aan wat is overwogen onder 4.3.4 en 4.3.5.


4.3.7.

Volgens appellant had de wetgever ten minste moeten kiezen voor een minder bezwarend middel om zijn doeleinden na te streven dan een regeling die voorziet in een volledige uitsluiting van het recht op een AOW-ouderdomspensioen over periodes van verblijf in een tbs-kliniek. Bijvoorbeeld door een regeling tot stand te brengen die slechts voorziet in een korting op het AOW-ouderdomspensioen voor kost en inwoning over periodes van verblijf in een tbs-kliniek. Voor zover appellant hiermee een beroep heeft willen doen op het subsidiairiteitsbeginsel, wordt overwogen dat in dit geding niet van belang is of de wetgever zijn doelstellingen ook had kunnen bereiken met een voor appellant minder bezwarende regeling, omdat artikel 14 van het EVRM niet verplicht tot een subsidiairiteitstoetsing door de rechter. Het gaat de rechtsvormende taak van de Nederlandse rechter te buiten om bij een toetsing als hier aan de orde een strengere maatstaf aan te leggen dan nodig is om de door het EVRM gegarandeerde minimumbescherming te realiseren. Een dergelijke toetsing zou namelijk leiden tot een niet te legitimeren inbreuk op de voor de Nederlandse rechtsorde cruciale scheiding der machten.

5. Op basis van wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3.7 is overwogen wordt geconcludeerd dat het bestreden besluit niet leidt niet tot een schending van artikel 1 van het EP en artikel 14 van het EVRM. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant strandt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een proceskostenveroordeling is geen grond.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) B. Rikhof




JvC