Centrale Raad van Beroep, 22-06-2015 / 13-5901 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:2430

Inhoudsindicatie
Uit hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, omdat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, wordt het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Nu in hoger beroep alsnog een juiste en volledige motivering van het bestreden besluit is verstrekt, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden geheel in stand blijven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-22
Publicatiedatum
2015-07-24
Zaaknummer
13-5901 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5901 WIA

Datum uitspraak: 22 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 september 2013, 12/5192 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend alsmede in reactie op de brief van de Raad van 20 januari 2015 een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 februari 2015.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roelen.

Vervolgens is het onderzoek heropend.

Het Uwv heeft in antwoord op een brief van de Raad van 19 maart 2015 een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 maart 2015 ingebracht.

Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 23 mei 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 20 juni 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 3 oktober 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat, anders dan waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgaat, op de in geding zijnde datum sprake is van een depressie en zwakbegaafdheid. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst appellant naar de brief van psychiater Oomen van 21 augustus 2012 en de brief van psycholoog A. Yalcin van

2 januari 2014.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Aan rapporten opgesteld door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) komt, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapporten mag baseren. Dit betekent echter niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. Het aannemelijk maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn, kan geschieden door niet medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk (uitspraak van 10 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1327).


4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 april 2012 meer beperkingen voor het verrichten van arbeid aan te nemen vanwege de door appellant gestelde depressie, zwakbegaafdheid en vergeetachtigheid. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 september 2012, 28 mei 2013 en 6 maart 2013, waarin overtuigend is uiteengezet dat de depressie gedeeltelijk in remissie is. Tevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd dat geen sprake is van zwakbegaafdheid en dat de vergeetachtigheid niet is geobjectiveerd. Ten aanzien van de brief van psychiater Oomen van 21 augustus 2012, waarnaar appellant ook in hoger beroep verwijst, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de psychiater zijn in die brief genoemde diagnoses (vergeetachtigheid, herhaalde ernstige depressie zonder psychotische kenmerken en zwakbegaafdheid) niet of nauwelijks heeft onderbouwd. Met de in hoger beroep overgelegde brief van psycholoog Yalcin van 2 januari 2014 is evenmin voldoende onderbouwd dat in de FML, waarin vanwege de psychische beperkingen van appellant beperkingen zijn opgenomen op de onderdelen 1.9.5, voorspelbare werksituatie, 1.9.7, werk zonder veelvuldige deadlines/productiepieken, 1.9.8, geen hoge eindverantwoordelijkheid en 2.8, omgaan met conflicten, meer beperkingen aangenomen zouden moeten worden. Daarbij is ten aanzien van de gestelde zwakbegaafdheid van belang dat in de beschrijvende diagnose die door psychiater Oomen in zijn rapport is opgenomen, weliswaar staat dat er aanwijzingen zijn voor de zwakbegaafdheid van appellant, maar dat genoemde psycholoog vermeldt dat het (huidig) gedrag van appellant wellicht functioneel is te duiden.


4.3.

Ten aanzien van de door appellant gebruikte medicatie oordeelt de Raad als volgt. Niet in geschil is dat appellant antidepressiva (agomelatine) gebruikt en dat deze medicatie slaperigheid als veel voorkomende bijwerking heeft, zoals vermeld in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 februari 2015. In dit kader is van belang dat de verzekeringsarts in zijn rapport van 11 april 2012 in zijn onderzoeksbevindingen vermeldt dat appellant opvallend traag is en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 6 september 2012 vermeldt dat appellant wat traag en slaperig overkomt, waarbij ondanks een vrij normale daginvulling opviel dat appellant nogal last had van slaperigheid door de medicatie. Dit betekent dat in het geval van appellant op onderdeel 1.9.9 van de FML, persoonlijk risico, een beperking opgenomen had moeten worden.


4.4.

Uitgaande van de FML van 11 april 2012 waarbij op onderdeel 1.9.9, persoonlijke risico, alsnog een beperking vanwege de door appellant gebruikte medicatie is opgenomen, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 25 maart 2015 de voor appellant geselecteerde functie van magazijn, expeditie-medewerker van SBC-code 111220 met nummer 6241.0167.012 laten vervallen, omdat deze de functie bij mogelijke slaperigheid gevaarlijk voor appellant kan zijn. In zijn rapporten van 2 oktober 2012 en 25 maart 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep echter overtuigend beargumenteerd dat appellant de werkzaamheden kan verrichten verbonden aan de overblijvende functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC-code 111172), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en magazijn,

expeditie-medewerker (SBC-code 111220 met nummer 9251.0001.001). Dit leidt niet tot een andere mate van arbeidsongeschiktheid dan thans is aangenomen.


4.5.

Uit hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, omdat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, wordt het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Nu in hoger beroep alsnog een juiste en volledige motivering van het bestreden besluit is verstrekt, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden geheel in stand blijven.


5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant heeft gemaakt in beroep tot een bedrag van € 1.225,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 490,- , in totaal € 1.715,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
  • - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.715,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2015.




(getekend) H. van Leeuwen




(getekend) P. Uijtdewillegen




NW