Centrale Raad van Beroep, 22-07-2015 / 14-1497 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:2433

Inhoudsindicatie
Weigering ZW-uitkering toe te kennen. De Raad ziet evenmin aanknopingspunten om te oordelen dat appellante op de datum in geding ten onrechte arbeidsgeschikt is verklaard. De bevindingen van de arts bezwaar en beroep dat geen sprake is van ernstige afwijkingen en er geen specifieke beperkingen te duiden zijn, worden voldoende bevestigd in de brief van de reumatoloog van 13 september 2013, die eveneens weergeeft dat de beperkingen voornamelijk worden bepaald door pijn- en vermoeidheidsklachten, maar dat er geen fysieke bewegingsbeperking is en het advies is om goed in beweging te blijven. Dat een latere ziekmelding in 2014 door het Uwv is geaccepteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het medisch rapport van 1 augustus 2014 dat op het nieuwe ziektegeval betrekking heeft, blijkt dat toen vooral psychische problematiek speelde.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-22
Publicatiedatum
2015-07-24
Zaaknummer
14-1497 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1497 ZW

Datum uitspraak: 22 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

7 februari 2014, 13/4126 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Eskes, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nadere reactie ingezonden.

Bij brief van 11 maart 2015 heeft mr J. Sietsma zich als gemachtigde in de plaats van mr. Eskes gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2015. Appellante en mr. Sietsma zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante heeft, voordat zij in maart 2011 werkloos werd, gewerkt als pedagogisch medewerkster op een peuterspeelzaal in een arbeidsomvang van 36 uur per week. Met ingang van 6 maart 2013 heeft zij zich wegens pijn-, rug-, schouder- en nekklachten aansluitend aan haar bevallingsverlof ziek gemeld.


1.2.

Bij besluit van 28 mei 2013 is appellante met ingang van 3 juni 2013 arbeidsgeschikt verklaard omdat er volgens de verzekeringsarts geen medische belemmeringen zijn die het uitvoeren van de maatgevende arbeid in de weg staan. In het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift heeft appellante vermeld dat zij reumapatiënt is en aan artrose en fibromyalgie lijdt. Na onderzoek door een arts bezwaar en beroep, waarbij de door appellante verstrekte gegevens van haar huisarts zijn betrokken, heeft het Uwv bij besluit van 12 juli 2013 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan het oordeel van het Uwv over de beperkingen van appellante. Het Uwv heeft onderkend dat appellante klachten heeft, maar tevens voldoende gemotiveerd dat er onvoldoende objectiveerbare gegevens zijn om te oordelen dat appellante niet in staat zou zijn haar werkzaamheden te verrichten. De rechtbank was verder van oordeel dat het Uwv bij het ingenomen standpunt voldoende rekening heeft gehouden met de belastende aspecten van het werk als pedagogisch medewerkster.


3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar klachten zijn onderschat en dat haar werk veel minder zwaar is ingeschat dan dit in werkelijkheid is. Verder heeft zij een besluit van 5 augustus 2014 en een verzekeringsgeneeskundig rapport ingezonden, waaruit blijkt dat appellante vanaf 17 februari 2014 arbeidsongeschikt is verklaard in de zin van de Ziektewet (ZW).


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Naar de Raad bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.


4.2.

Appellante wordt niet gevolgd in het in hoger beroep opnieuw ingenomen standpunt dat geen juiste belasting van de arbeid in aanmerking is genomen. De Raad verwijst naar overweging 9 van de aangevallen uitspraak en onderschrijft de overweging dat bij de beoordeling door het Uwv voldoende rekening is gehouden met de fysieke belasting van haar werk, zoals het moeten tillen van kinderen in de peuterleeftijd van twee tot vier jaar.


4.3.

Er is geen aanleiding te oordelen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Voorafgaand aan de hersteldmelding is appellante onderzocht. Uit het rapport van de arts bezwaar en beroep van 9 juli 2013 blijkt dat appellante in de bezwaarfase nogmaals is onderzocht, waarbij de door appellante verstrekte informatie van haar huisarts is betrokken. Daarbij is ook gebleken dat de reumatoloog haar weer heeft terugverwezen naar de huisarts, zoals de arts bezwaar en beroep in het rapport van 28 augustus 2013 terecht heeft opgemerkt.


4.4.

De Raad ziet evenmin aanknopingspunten om te oordelen dat appellante op de datum in geding ten onrechte arbeidsgeschikt is verklaard. De bevindingen van de arts bezwaar en beroep dat geen sprake is van ernstige afwijkingen en er geen specifieke beperkingen te duiden zijn, worden voldoende bevestigd in de brief van de reumatoloog van 13 september 2013, die eveneens weergeeft dat de beperkingen voornamelijk worden bepaald door pijn- en vermoeidheidsklachten, maar dat er geen fysieke bewegingsbeperking is en het advies is om goed in beweging te blijven. Dat een latere ziekmelding in 2014 door het Uwv is geaccepteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het medisch rapport van 1 augustus 2014 dat op het nieuwe ziektegeval betrekking heeft, blijkt dat toen vooral psychische problematiek speelde.


4.5.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.












BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en J.J.T van den Corput en

D. S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) K. de Jong




AP