Centrale Raad van Beroep, 29-01-2015 / 13 - 227 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2015:245

Inhoudsindicatie
Appellant beoogt de ingangsdatum van de Wubo-aanspraken, in elk geval voor zover het betreft de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, in 2001 te plaatsen. Volgens vaste rechtspraak zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaar niet meer in rechte afdwingbaar. Geen bijzondere omstandigheden. Proceskostenveroordeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-29
Publicatiedatum
2015-02-03
Zaaknummer
13 - 227 WUBO
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/227 WUBO

Datum uitspraak: 29 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Frankrijk (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Bij tussenuitspraak van 5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1910, heeft de Raad verweerder opgedragen de gebreken in de beslissing op bezwaar van 17 december 2012 (bestreden besluit) te herstellen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder op 18 juli 2014 een nieuw besluit genomen.

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, bij brief van 7 augustus 2014 zijn zienswijze op het nieuwe besluit kenbaar gemaakt.

Verweerder heeft hierop op 21 augustus 2014 een nadere reactie gegeven.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verband met artikel 17, eerste lid en zesde lid, van de Beroepswet (oud), is een nadere zitting achterwege gelaten. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN


1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Awb en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.


1.1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 5 juni 2014 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat.


1.2.

In de tussenuitspraak heeft de Raad, kort samengevat, geconcludeerd dat verweerder heeft nagelaten appellant te wijzen op de mogelijkheid om bij omzetting van zijn aanspraken op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) naar aanspraken op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), tevens te vragen daarbij terugwerkende kracht te verlenen. Het doen van een dergelijk verzoek heeft verweerder in beleid geformuleerd als één van de voorwaarden om bij een omzetting van aanspraken te kunnen komen tot een maximale terugwerkende kracht van vijf jaar. Het niet verzoeken om terugwerkende kracht kan in dit geval niet zonder meer aan appellant worden tegengeworpen. Omdat hij direct nadat hij met het bedoelde beleid bekend is geworden door middel van een verzoek om herziening van juli 2012 alsnog heeft verzocht om aan de

Wubo-aanspraken terugwerkende kracht te verlenen, is het bekend worden met het beleid te beschouwen als een nieuw feit op grond waarvan een volledige beoordeling van het verzoek was aangewezen. Nu dat is nagelaten heeft de Raad opgedragen dit gebrek te herstellen.


1.3.

Bij het besluit van 18 juli 2014 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit van 9 augustus 2012 alsnog gegrond verklaard. Aan appellant is ingaande 1 juli 2007 toegekend de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden. De vergoeding voor huishoudelijke hulp en de tegemoetkoming van deelname aan het maatschappelijk verkeer zijn toegekend met ingang van 1 mei 2008, zijnde de eerste dag van de maand waarin appellant deze voorzieningen destijds in het kader van de Wuv heeft aangevraagd.


1.4.

In reactie op het besluit van 18 juli 2014 is namens appellant gesteld dat appellant al vanaf 2001 geïnformeerd had dienen te worden over omzetting van de Wuv-aanspraken naar Wubo-aanspraken.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

Nu met het nieuwe besluit niet geheel aan appellant is tegemoetgekomen, strekt het geding in beroep zich, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, mede uit tot dit nieuwe besluit.


2.2.

Verweerder heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak aan de omzetting van aanspraken van de Wuv naar de Wubo alsnog een terugwerkende kracht verleend van vijf jaar, omdat is voldaan aan voorwaarden die verweerder op dit punt heeft geformuleerd in het van toepassing zijnde en in de tussenuitspraak genoemde beleid. Dit wordt door appellant feitelijk niet bestreden.


2.3.

De namens appellant gegeven reactie op het besluit van 18 juli 2014 begrijpt de Raad aldus dat appellant beoogt de ingangsdatum van de Wubo-aanspraken, in elk geval voor zover het betreft de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, in 2001 te plaatsen. Appellant kan hierin niet worden gevolgd. Volgens vaste rechtspraak zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaar niet meer in rechte afdwingbaar (ECLI:NL:CRVB:2014:3834). Bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om hieraan voorbij te gaan, zijn niet naar voren gekomen. De Raad ziet dus geen aanleiding om in dit geval te oordelen dat verweerder een langere terugwerkende kracht aan de aanspraken had moeten verlenen dan de, vanwege de eerder genoemde tekortkoming, toegepaste terugwerkende kracht van vijf jaar.


2.4.

Namens appellant is nog gesteld dat verweerder heeft nagelaten wettelijke rente toe te kennen. In de reactie van 21 augustus 2014 heeft verweerder echter uitdrukkelijk vermeld dat bij de uitvoering van het besluit van 18 juli 2014 automatisch wettelijke rente wordt berekend en dat deze bij een separate beschikking zal worden vastgesteld. De Raad vertrouwt erop dat dit zal gebeuren. Voor het geven van een opdracht daartoe ziet de Raad dan ook geen aanleiding.


2.5.

Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. Dit besluit moet daarom worden vernietigd. Nu uit deze uitspraak volgt dat het beroep tegen het besluit van 18 juli 2014 geen doel treft, moet dat beroep ongegrond worden verklaard.


3. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant vanwege in beroep verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.225,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en een 0,5 punt voor het indienen van de zienswijze). De Raad merkt hierbij op dat anders dan namens verweerder is betoogd, de (materiële) inhoud van de zienswijze niet bepalend is om het indienen daarvan als proceshandeling aan te kunnen merken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 december 2012 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 juli 2014 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 1.225,-;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) P.W.J. Hospel



HD