Centrale Raad van Beroep, 17-07-2015 / 14-319 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:2467

Inhoudsindicatie
Appellante heeft niet onderbouwd waarom zij het niet eens is met de aangevallen uitspraak, noch heeft zij medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij meer beperkt is dan in de FML. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank op dit punt. De in hoger beroep overgelegde medische informatie geeft geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen. In hoger beroep geen onderbouwing gegeven dat de urenomvang van haar maatman onjuist is vastgesteld. Aangezien eerst in hoger beroep de passendheid van de functie wikkelaar voldoende is toegelicht, ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in 2 instanties.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-17
Publicatiedatum
2015-07-28
Zaaknummer
14-319 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/319 WIA



Datum uitspraak: 17 juli 2015


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

6 december 2013, 13/2195 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Partijen hebben nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. V.J.M. Janszen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.



OVERWEGINGEN


1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster voor 20,89 uur per week. Voor dit werk heeft zij zich ziek gemeld wegens flauwvallen, tintelingen in de armen, gewichtsverlies en pijnklachten. Bij besluit van 2 januari 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 25 februari 2013 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 12 april 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 januari 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspaak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet onzorgvuldig is geweest en dat er geen aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de rapporten van de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht geen aanleiding gezien informatie van de behandelend sector op te vragen, omdat het dossier voldoende onderzoeksgegevens bevat om op een verantwoorde wijze tot een afgewogen medisch oordeel te komen ten aanzien van de medische situatie van appellante en haar functionele mogelijkheden. De informatie van de natuurgeneeskundige van 3 september 2013 leidt niet tot het aannemen van meer beperkingen, omdat deze informatie dateert van ruim na de datum in geding en uit deze informatie niet naar voren komt dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het Uwv de urenomvang van de maatman terecht heeft vastgesteld op 20,89 uur per week. Appellante heeft geen onderbouwing gegeven van haar standpunt dat de gegevens van de werkgever hieromtrent niet juist zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de signalering op het punt knijp-/grijpkracht in de functie wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050), niet leidt tot verwerping van de functie.


3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen medische informatie bij de behandelend sector heeft opgevraagd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte niet meer beperkingen aangenomen. Het Uwv heeft een onjuiste maatman en/of maatmanurenomvang gehanteerd en een onjuist maatmaninkomen. De geduide functies zijn voor appellante niet geschikt te achten. In de functie wikkelaar komt naast de belasting op knijp-/grijpkracht ook een tilbelasting voor van meer dan 10 kg en een belasting ten aanzien van schroefbewegingen met de arm-hand. Appellante kan deze functie niet uitoefenen, gelet op haar beperkingen.


3.2. Het Uwv heeft nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd en verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1. De gronden van appellante in hoger beroep die gericht zijn tegen de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit zijn in essentie een herhaling van de gronden van het beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze niet kunnen slagen. Appellante heeft niet onderbouwd waarom zij de overwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak, niet juist acht, noch heeft zij medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij meer of anders beperkt is dan is opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank op dit punt. De medische informatie die appellante in hoger beroep heeft overgelegd geeft geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 19 mei 2015 inzichtelijk gemotiveerd waarom deze informatie niet leidt tot het aannemen van meer beperkingen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat uitgaande van de diagnosen fibromyalgie, ongedifferentieerde somatoforme stoornis, conversiestoornis (deels in remissie) en dysthyme stoornis (in remissie) niet gezegd kan worden dat de functionele mogelijkheden van appellante met de FML kennelijk worden overschat. Geen aanleiding bestaat te twijfelen aan dit rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Uwv mocht uitgaan van de gegevens omtrent de urenomvang van de maatman zoals de werkgever van appellante die heeft verstrekt. Appellante heeft ook in hoger beroep geen onderbouwing gegeven van haar standpunt dat de urenomvang van de maatman onjuist is vastgesteld. Dat in de FML een urenbeperking tot 20 uur is opgenomen is daarvoor niet relevant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 30 januari 2014 afdoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellante voor wat betreft tillen in de functie wikkelaar niet wordt overschreden, omdat een rol koperdraad van acht tot tien kilogram maximaal eenmaal per dag wordt getild. Incidenteel moet een rol koperdraad van 20 kilogram worden getild, maar hierbij wordt gebruik gemaakt van een steekkar, waardoor het te tillen gewicht binnen de belastbaarheid van appellante blijft. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de signalering op punt 4.7 in de functie wikkelaar afdoende toegelicht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met haar rapporten van 5 april 2013 en 30 januari 2014 voldoende deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante.


4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Aangezien eerst in hoger beroep de passendheid van de functie wikkelaar door middel van het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 30 januari 2014 voldoende is toegelicht, ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de door appellante in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 490,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 980,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.470,-.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.470,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van

€ 162,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) J.R. van Ravenstein




JvC