Centrale Raad van Beroep, 22-07-2015 / 13-5791 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:2469

Inhoudsindicatie
Appellante heeft met haar brief van 16 augustus 2012 tijdig bezwaar ingediend tegen het besluit van 20 juli 2012. Het Uwv heeft het bezwaar bij het bestreden besluit dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging uitspraak en bestreden beluit. Nieuwe beslissing op bezwaar waarbij het alsnog de gronden van appellante tegen het besluit van 20 juli 2012 inhoudelijk dient te beoordelen. Indien daartoe aanleiding bestaat, zal het Uwv bij het nemen van een nader besluit ook aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er aanleiding is om de door appellante gevorderde schade te vergoeden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-22
Publicatiedatum
2015-07-28
Zaaknummer
13-5791 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/278
  • AB 2015/344 met annotatie van Redactie, L.J.A. Damen
Uitspraak

13/5791 ZW

Datum uitspraak: 22 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

17 september 2013, 13/259 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 20 juli 2012 heeft het Uwv appellante met ingang van

27 juli 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).


1.2.

Bij brief van 16 augustus 2012 heeft appellante het Uwv onder meer bericht:


“Aangezien ik een herseninfarct heb gehad krijg ik momenteel een uitkering van de ZW. Nu krijg ik een uitkering die mijns inziens te weinig is. De dame die ik van het Uwv aan de telefoonlijn heb gesproken zei dat ik nog enkele gegevens moest doorgegeven om voor eventuele aanvullingen in aanmerking te komen.


Mijn gegevens zijn als volgt: (…)”


1.3.

Het Uwv heeft bij brief van 17 augustus 2012 als volgt gereageerd:


“Wij ontvingen uw schrijven van 16 augustus 2012, waarin u aangeeft dat u het niet eens bent met de hoogte van uw dagloon.


Aangezien u gedeeltelijk aan het werk was, moeten we rekening houden met de verdiensten uit dit dienstverband over de laatste 4 weken. De uren, die u werkelijk heeft gewerkt zijn niet van belang.


Mocht u het niet eens zijn met onze beslissing, raden wij u aan een bezwaarschrift in te dienen. (…)”


1.4.

Bij brief van 14 januari 2013 heeft mr. B. van Dijk het Uwv namens appellante verzocht om een beslissing op het door appellante op

16 augustus 2012 gemaakte bezwaar.


1.5.

Het Uwv heeft deze brief van 14 januari 2013 aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 20 juli 2012 en dit bezwaar bij besluit van 17 januari 2013 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak is het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort gezegd - geoordeeld dat het Uwv de brief van 16 augustus 2012 terecht niet heeft aangemerkt als bezwaarschrift en dat de brief van 14 januari 2013, voor zover aan te merken als een bezwaarschrift, buiten de termijn is ingediend.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het niet aan het Uwv is om te bepalen wat al dan niet als bezwaarschrift wordt aangemerkt. Relevant is alleen de vraag of appellante met haar brief van

16 augustus 2012 heeft beoogd om bezwaar te maken tegen het besluit van 20 juli 2012. Dit is het geval. Relevant is dan niet meer of appellante had moeten begrijpen dat het Uwv haar bezwaarschrift niet als zodanig heeft opgevat. Het tegen het besluit van 20 juli 2012 gemaakte bezwaar is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv blijkt uit het besluit van 20 juli 2012 heel duidelijk dat een bezwaarschrift moet worden gericht aan het Uwv, afdeling bezwaar en beroep te Leiden, terwijl de brief van 16 augustus 2012 aan het Uwv, afdeling uitvoering Ziektewet te Amsterdam is gericht. Verder blijkt uit de brief niet dat appellante bezwaar wil maken, maar vraagt zij slechts om een aanvulling op haar uitkering. Als appellante meende dat haar brief van

16 augustus 2012 diende te worden aangemerkt als een bezwaarschrift, dan was het logischer geweest dat zij had gereageerd op de brief van

17 augustus 2012. Zij heeft echter op geen enkele wijze gereageerd op deze brief. Het had haar in ieder geval voldoende duidelijk moeten zijn dat als zij het niet eens was met de berekening van het dagloon, zij alsnog tijdig

(voor 31 augustus 2012) een bezwaarschrift moest indienen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Hieraan wordt toegevoegd dat op grond van artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid van de Awb wordt het bezwaarschrift ondertekend en bevat dit ten minste a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht en d. de gronden van het bezwaar of beroep. Artikel 6:6 bepaalt onder meer dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep.


4.2.

In haar onder 1.2 vermelde brief van 16 augustus 2012 heeft appellante duidelijk te kennen gegeven dat en waarom zij het niet eens is met de (berekening van de) hoogte van haar ZW-uitkering en dat zij daarom een “aanvulling” op haar ZW-uitkering wil hebben. Uit de reactie van het Uwv, waaronder die in de onder 1.3 weergegeven brief, blijkt ook dat het Uwv heeft begrepen dat appellante zich niet kon vinden in het besluit van 20 juli 2012 en meer in het bijzonder in de hoogte van het bij de berekening van haar ZW-uitkering gehanteerde dagloon. Hieruit had het Uwv behoren af te leiden dat appellante met haar brief van 16 augustus 2012 beoogde bezwaar te maken tegen het besluit van 20 juli 2012.


4.3.

Dat appellante in haar brief niet uitdrukkelijk de term “bezwaar” heeft gebezigd, maakt dit oordeel niet anders. Evenmin kan de omstandigheid dat appellante haar brief niet heeft gericht aan de afdeling bezwaar en beroep te Leiden, maar aan de afdeling uitvoering Ziektewet te Amsterdam, tot een ander oordeel leiden (vergelijk onder meer ECLI:NL:CRVB:2005:AU1927). Een bestuursorgaan moet immers geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld doorzenden naar dat bestuursorgaan. Dit geldt a fortiori voor het doorzenden naar een ander onderdeel binnen een en hetzelfde bestuursorgaan (ECLI:NL:CRVB:1996:AL0696).


4.4.

De omstandigheid dat het appellante duidelijk moet zijn geweest dat het Uwv haar brief van 16 augustus 2012 niet opvatte als een bezwaarschrift, brengt niet mee dat deze brief niet als zodanig moet worden aangemerkt. Dat appellante alsnog binnen de termijn een (nieuw) bezwaarschrift had kunnen in dienen, is evenmin maatgevend voor het antwoord op de vraag of de brief van 16 augustus 2012 moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Zodoende is niet gebleken dat niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar van appellante, zoals bedoeld in artikel 6:6 van de Awb.


4.5.

Uit het voorgaande volgt dat appellante met haar brief van

16 augustus 2012 tijdig bezwaar heeft ingediend tegen het besluit van

20 juli 2012. Het Uwv heeft het bezwaar bij het bestreden besluit dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen daarom voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen, waarbij het alsnog de gronden van appellante tegen het besluit van 20 juli 2012 inhoudelijk dient te beoordelen. Indien daartoe aanleiding bestaat, zal Uwv zal bij het nemen van een nader besluit ook aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er aanleiding is om de door appellante gevorderde schade te vergoeden.


5. Er bestaat (vooralsnog) geen aanleiding voor het vergoeden van de kosten van de bezwaarprocedure. Artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Herroeping vindt plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot een intrekking of wijziging van het in bezwaar bestreden besluit. Hiervan is (nog) geen sprake. Wel bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 490,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.470,-.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 januari 2013;

- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.470,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en C.C.W. Lange en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015.



(getekend) E.W. Akkerman




(getekend) W. de Braal




AP