Centrale Raad van Beroep, 24-07-2015 / 13-5933 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:2483

Inhoudsindicatie
Weigering ZW-uitkering toe te kennen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft kunnen maken dat in 2000 sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 november 2012. In dit rapport is overtuigend uiteengezet dat op grond van de beschikbare informatie over de zwakbegaafdheid en de knieklachten van appellante niet aannemelijk is dat zij in de periode november 2000 tot (4 weken na) 1 mei 2005 arbeidsongeschikt is geweest in de zin van de ZW.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-24
Publicatiedatum
2015-07-28
Zaaknummer
13-5933 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5933 ZW

Datum uitspraak: 24 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 oktober 2013, 12/6212 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. M. Sloot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. I. Damsma.

OVERWEGINGEN


1. Appellante, voorheen werkzaam als schoonmaakster, heeft over de periode van

1 november 2000 tot 1 mei 2005 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 24 mei 2012 heeft appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aangevraagd. Bij besluit van 10 juli 2012 heeft het Uwv geweigerd appellante een

ZW-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van

15 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard op de grond dat niet aannemelijk is dat appellante in de periode november 2000 tot 4 weken na 1 mei 2005 ongeschikt is geweest voor haar arbeid.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij in ieder geval reeds op

1 november 2000 niet meer in staat was tot het verrichten van haar arbeid als schoonmaakster als gevolg van een combinatie van fysieke (rechterknie) en mentale (zwakbegaafdheid) beperkingen. Ter ondersteuning hiervan verwijst appellante naar de in beroep overgelegde (ongedateerde) brief van huisarts D.S. Acherman, waarin staat dat in 2005 door neuropsychologisch onderzoek is vastgesteld dat appellante zwakbegaafd is en dat zij rechterknieklachten heeft door gonartrose en chronische gingivitis/paradontitis. Weliswaar heeft appellante lange tijd als schoonmaakster gewerkt, maar dat ging ten koste van haar gezondheid. Gelet op haar beperkingen dient het niet voor rekening en risico van appellante te komen dat zij zich niet op tijd ziek zou hebben gemeld. Appellante heeft wel eerder een

ZW-aanvraag gedaan, maar het Uwv heeft daarop niet beslist.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten zien aanzien van een verzekerde, die geen werkgever heeft, onder zijn arbeid verstaan werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever doorgaans kenmerkend voor die arbeid zijn. In dit geval is dat het werk van schoonmaakster.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:784) moet in een zaak als de onderhavige, waarbij de betrokkene eerst na lange tijd een melding doet van arbeidsongeschiktheid over een periode in het verleden, het risico van eventuele onduidelijkheid met betrekking tot de medische situatie van de betrokkene door dat tijdsverloop voor zijn rekening blijven. De Raad ziet geen aanleiding om hiervan in het geval van appellante af te wijken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft kunnen maken dat in 2000 sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 november 2012. In dit rapport is overtuigend uiteengezet dat op grond van de beschikbare informatie over de zwakbegaafdheid en de knieklachten van appellante niet aannemelijk is dat zij in de periode november 2000 tot

(4 weken na) 1 mei 2005 arbeidsongeschikt is geweest in de zin van de ZW. Het Uwv heeft in reactie op de brief van huisarts Acherman met juistheid opgemerkt dat appellante ondanks haar zwakbegaafdheid jarenlang heeft kunnen werken. Dat dit tot schade van haar gezondheid was heeft appellante niet met nadere stukken onderbouwd. De stelling dat appellante eerder een ZW-aanvraag heeft gedaan, volgt niet uit de stukken en heeft appellante evenmin nader onderbouwd.


4.3.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Bij deze uitspraak is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2015.




(getekend) Ch. van Voorst




(getekend) S. Aaliouli




JvC