Centrale Raad van Beroep, 30-07-2015 / 14-694 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2015:2554

Inhoudsindicatie
Geen sprake van een onbevoegd genomen besluit. Appellante heeft in 2012 een verzoek om herziening van het besluit van 3 november 2004 gedaan, dat door de rechter terughoudend wordt getoetst. Er zijn geen nieuwe feiten of gegevens naar voren gekomen die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Beroep op ongelijke behandeling evenals op artikel 3 van het IVRK faalt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-30
Publicatiedatum
2015-07-31
Zaaknummer
14-694 WUBO
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/694 WUBO

Datum uitspraak: 30 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Lesquillier, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 januari 2014, kenmerk BZ01657895 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. Daar is namens appellante verschenen mr. Lesquillier. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1935 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in september 2004 een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 3 november 2004 op de grond dat niet is komen vast te staan dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. In dat verband is overwogen dat een directe betrokkenheid bij bombardementen in Buitenzorg tijdens de Japanse bezetting niet is komen vast te staan, het bedreigd zijn door een Indonesiër tijdens de Japanse bezetting niet onder de werking van de Wubo valt, de meegemaakte huiszoekingen door Japanners en Indonesiërs niet tegen appellante waren gericht en evenmin gepaard gingen met excessief geweld, het verblijf in de kampen Kota Paris en Gedoeng Halang niet onder de werking van de Wubo valt omdat deze kampen tijdens de Bersiap-periode beschermingskampen waren en dat een directe betrokkenheid bij beschietingen in kamp Kota Paris tijdens de Bersiap-periode niet is komen vast te staan. Tegen het besluit van 3 november 2004 heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.


1.2.

In augustus 2012 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Dat verzoek is afgewezen bij besluit van 31 juli 2013 en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Naar het oordeel van verweerder heeft appellante geen gegevens overgelegd die aanleiding geven het eerdere besluit te herzien.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.1.

Allereerst ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of het bestreden besluit bevoegd is genomen.


2.1.2.

Op 1 januari 2011 is in werking getreden de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wuvo) (Stb. 2010, 182). De Wuvo bevat een regeling voor de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen door de Pensioen- en Uitkeringsraad (Pur) en de Sociale Verzekeringsbank (Svb). Zo is in artikel 4, onder a en b, van de Wuvo geregeld dat - kort gezegd - de Pur tot taak heeft te beslissen op aanvragen van betrokkenen om toelating tot een van de oorlogswetten. In het nader verkregen besluit van de Pur tot verlening van mandaat en volmacht aan de Svb (Mandaat- en volmachtbesluit Pensioen- en Uitkeringsraad 2011, hierna: mandaatbesluit) zoals dit gold tot 1 januari 2015, is in artikel 2, eerste lid, aan de - Raad van Bestuur van de - Svb het mandaat verleend voor het uitvoeren van de in artikel 4, onder a en b, van de Wuvo aan de Pur opgedragen taken. Op grond van het tweede lid van artikel 2 van het mandaatbesluit geldt dit niet voor het nemen van beschikkingen waarbij over de inhoud ervan, gelet op de jurisprudentie en het door de Pur vastgestelde beleid, in redelijkheid twijfel bestaat. In dat geval is, gezien het derde lid van artikel 2 van het mandaatbesluit, aan de Svb slechts een ondertekeningsmandaat verleend.


2.1.3.

Het bestreden besluit is een na bezwaar genomen beslissing van de Pur op de aanvraag van appellante tot toelating tot de Wubo. De Svb heeft slechts de feitelijke ondertekening van het besluit voor zijn rekening genomen. Van strijd met het mandaatbesluit is dus hoe dan ook geen sprake. Voor zover namens appellante is betoogd dat mocht er wel een mandaat zijn verleend dit dan alleen geldt voor de Raad van bestuur van de Svb, wordt verwezen naar artikel 3 van het mandaatbesluit waarin aan de Svb toestemming is verleend aan de hem toegekende bevoegdheden ondermandaat te verlenen. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een onbevoegd genomen besluit.


2.2.

Het verzoek van appellante van augustus 2012 heeft verweerder terecht aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 3 november 2004.


2.3.

Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op een daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of er nieuwe feiten of gegevens naar voren zijn gekomen die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.


2.4.1.

Zulke feiten en omstandigheden zijn niet naar voren gekomen. Ook met de in bezwaar ingebrachte verklaring van [naam] is geen bevestiging verkregen dat appellante een rampok heeft meegemaakt waarbij zij persoonlijk geconfronteerd is geweest met excessief geweld in de betekenis die daaraan voor de toepassing van de Wubo moet worden toegekend. Dat de vader van appellante tijdens het rampokken gewond is geraakt, vindt ook geen bevestiging in de verklaring van [naam] . Uit de door haar gegeven beschrijving van de rampok blijkt evenmin dat er (excessief) geweld is gebruikt.


2.4.2.

De kampen Kota Paris en Kedoeng Halang fungeerden tijdens de Bersiap-periode als beschermingskamp. Een verblijf aldaar in die periode kan om die reden niet onder de werking van de Wubo worden gebracht. Dat in een eerdere uitspraak van de Raad naar voren komt dat een betrokkene is erkend op basis van een verblijf in Kota Paris, doet hieraan niet af. Ter zitting is namens verweerder benadrukt dat die erkenning op een misverstand berust. Een beroep op die uitspraak kan dan ook niet tot het door appellante gewenste resultaat leiden. Wat betreft de evacuatie van Kota Paris naar Kedoeng Halang is ook nu niet gebleken dat de evacuatie vanuit of onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Ook uit de verklaring van [naam] blijkt niet dat tijdens de evacuatie in haar directe omgeving doden of gewonden zijn gevallen. Dat na aankomst in Kedoeng Halang duidelijk werd dat er elders in het konvooi doden zijn gevallen betekent niet dat op grond daarvan een directe betrokkenheid van appellante daarbij kan worden aangenomen.


2.5.

Namens appellante is ook betoogd dat het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wubo

uitgaat van volwassen burgers en dat jonge kinderen, zoals appellante toentertijd, niet aan de criteria van dat artikellid kunnen voldoen. De Raad kan dit niet volgen. In het eerste lid van artikel 2 van de Wubo is omschreven wie als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo kan worden aangemerkt. Een onderscheid tussen (toenmalige) minderjarigen en volwassenen wordt niet gemaakt: bepalend is het meegemaakte oorlogsgeweld, niet de leeftijd ten tijde van belang. Van een ongelijke behandeling is de Raad dan ook niet gebleken. De stelling dat de bepalingen van de Wubo in strijd zijn met het Unierecht is door appellante niet nader onderbouwd. Appellante heeft ook nog een beroep gedaan op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, IVRK, (Trb 1990,170 en voor Nederland in werking getreden op 8 maart 1995), maar ook dit beroep faalt. Appellante behoort immers niet tot de groep van personen, zoals gedefinieerd in artikel 1 van het IVRK, op wie het verdrag van toepassing is verklaard.


2.6.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte standhoudt en het beroep ongegrond moet worden verklaard.


3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en

F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) B. Rikhof




HD