Centrale Raad van Beroep, 05-02-2015 / 13-2615 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:292

Inhoudsindicatie
Vaststelling beoordeling. Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Aanstelling als medewerker Basispolitiefunctie-A.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-05
Publicatiedatum
2015-02-10
Zaaknummer
13-2615 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2615 AW

Datum uitspraak: 5 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 maart 2013, 12 / 4460 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Korpschef van Politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb.2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant (korpsbeheerder) ten aanzien van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. M.H.G. in de Braekt hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. In de Braekt. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L. van den Berg.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam als [naam functie A.] ([functie A.]). Na een periode van langdurig ziekteverzuim en bijzonder verlof, heeft hij met ingang van

1 oktober 2007 zijn werkzaamheden hervat.


1.2.

Op 8 mei 2008 heeft een functioneringsgesprek met appellant plaatsgevonden. Daarin is geconstateerd dat de tobiasresultaten van appellant achterblijven bij die van zijn collega’s en wat van hem mag worden verwacht. Er zijn afspraken gemaakt over de resultaatsbijdragen van appellant voor de komende periode.


1.3.

Op 21 augustus 2009 heeft de korpschef de beoordeling over de periode vanaf mei 2008 tot en met juni 2009 vastgesteld. In die beoordeling komt naar voren dat het functioneren van appellant afwijkt op het onderdeel van de voor de functies vereiste competenties, met name bij de competenties resultaatgerichtheid, burger-/ klantgerichtheid en samenwerken, maar dat wel ruimte bestaat voor ontwikkeling naar het vereiste niveau. Verder wordt geconstateerd dat de voor de periode mei 2008 tot en met juni 2009 afgesproken resultaatsbijdragen niet door appellant zijn gehaald, maar dat ook hier ruimte voor ontwikkeling bestaat.


1.4.

Tijdens een gesprek op 6 mei 2010 is appellant meegedeeld dat de resultaten die hij in de periode vanaf januari 2010 tot en met maart 2010 bij de noodhulp heeft behaald erg teleurstellend zijn. Als appellant aan het einde van het jaar minder dan het afgesproken aantal staandehoudingen heeft verricht, zal appellant geen noodhulpdiensten op de motor draaien totdat het gewenste resultaat is bereikt.


1.5.

In een functioneringsgesprek met appellant op 23 december 2010 is besproken dat zijn functioneren niet merkbaar is verbeterd. Hij werkt met name wat betreft de competenties resultaatgerichtheid, vakbekwaamheid, burger- / klantgerichtheid en samenwerking niet op het vereiste niveau en hij heeft de afgesproken individuele resultaatsbijdragen niet behaald. Aan appellant is meegedeeld dat hij de gelegenheid krijgt om het komend half jaar te laten zien dat hij in staat is op het gewenste niveau te werken en dat, als dan blijkt dat hij nog steeds onvoldoende functioneert, zal worden bezien of hij in een andere eventueel lager gewaardeerde functie zal worden geplaatst of dat een ontslagprocedure zal worden gestart. Besproken is verder dat appellant geen noodhulpdiensten meer op de motor verricht totdat hij, zonder daarin gecoached te moeten worden, in staat is zijn resultaten te halen. Verder is besproken welke resultaatsbijdragen appellant het komende half jaar zal leveren en dat zeswekelijks voortgangsgesprekken worden gehouden.


1.6.

Op 22 augustus 2011 heeft een beoordelingsgesprek met appellant plaatsgevonden. Nadat appellant zijn zienswijze had gegeven op de voorlopig vastgestelde beoordeling, heeft de korpschef bij besluit van 20 oktober 2011 (besluit 1) de beoordeling over de periode van

23 december 2010 tot 22 augustus 2011 vastgesteld. Het totale functioneren van appellant werd onvoldoende bevonden. Volgens de korpschef heeft appellant gedurende de beoordelingsperiode op de competenties vakbekwaamheid, burger- / klantgericht en samenwerken onder en op de competentie resultaatsgerichtheid ver onder het voor de functie vereiste niveau gefunctioneerd en wijken zijn resultaatsbijdragen in grote mate af van wat is afgesproken.


1.7.

Nadat de korpschef het voornemen daartoe had bekend gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de korpschef bij besluit van 25 januari 2012

(besluit 2) appellant met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 1 februari 2012 ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Bij besluit van 26 januari 2012 (besluit 3) heeft de korpschef appellant met ingang van 1 februari 2012 aangesteld als medewerker Basispolitiefunctie-A (medewerker BPF-A).


1.8.

Bij besluit van 9 juli 2012 (bestreden besluit) heeft de korpschef de bezwaren tegen de besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Beoordeling


4.1.

Appellant heeft tegen de negatieve beoordeling over de periode van 23 december 2010 tot 22 augustus 2011 aangevoerd dat hij, nadat hij zowel in 2004 als in 2006 een kind had verloren, zijn draai weer begon te vinden in werk en privé, dat hij hard heeft gewerkt aan zichzelf en dat zijn functioneren een stijgende lijn heeft vertoond. Volgens appellant was zijn functioneren weer op niveau en hij wijst er in dit verband op dat zijn collega’s positieve verklaringen over zijn functioneren hebben afgelegd. Twee van die collega’s worden in de beoordeling weliswaar als informant genoemd, maar de korpschef heeft nagelaten hen naar informatie over zijn functioneren te vragen.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7050) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.


4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat de negatieve beoordeling niet op onvoldoende gronden berust, is juist. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel berust en verwijst daarnaar. Hij voegt daaraan toe dat in het verslag van het beoordelingsgesprek van 22 augustus 2011, bezien in samenhang met de verslagen van de voortgangsgesprekken die in de beoordelingsperiode zijn gevoerd, en in de reactie van de korpschef van 10 mei 2012 naar aanleiding van het bezwaar tegen de beoordeling voldoende concrete voorbeelden worden genoemd waaruit blijkt dat appellant onvoldoende gericht was op het behalen van resultaten en dat hij ook wat betreft de competenties vakbekwaamheid, burger- / klantgerichtheid en samenwerking niet op het voor de functie van [functie A.]

[functie A.] vereiste niveau functioneerde.


4.4.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Aan de verklaringen van zijn collega’s hecht de Raad niet dezelfde betekenis als appellant. Die verklaringen geven weliswaar een positiever beeld over het functioneren van appellant, maar daardoor wijzigt het in de beoordeling geschetste totale beeld van zijn functioneren in de beoordelingsperiode niet. De stelling van appellant dat de personen die in de beoordeling als informant zijn genoemd, niet zijn gevraagd om informatie over het functioneren van appellant, vindt geen steun in de gedingstukken. Daaruit blijkt namelijk dat een van de beoordelaars op 27 april 2011 een gesprek over het functioneren van appellant met de desbetreffende informanten heeft gevoerd. De stelling van appellant dat zijn functioneren in de beoordelingsperiode een stijgende lijn heeft vertoond, wordt door de korpschef niet betwist. Een progressie in het functioneren tegen het einde van de beoordelingsperiode betekent echter nog niet dat appellant in die periode - over het geheel bezien - op voldoende niveau heeft gefunctioneerd. De omstandigheid dat appellant in verband met het overlijden van twee van zijn kinderen een moeilijke periode heeft doorgemaakt en de omstandigheid dat appellant hard aan zichzelf heeft gewerkt kunnen, gelet op de vaste rechtspraak (uitspraak van 25 april 2007, ECLI:NL:CRVB: 2007: BA5298), niet leiden tot een gunstiger beoordeling dan op grond van zijn feitelijk functioneren gedurende de beoordelingsperiode is gerechtvaardigd. Dergelijke omstandigheden kunnen hooguit invloed hebben op de aan de beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen.


Ontslag


4.5.

Appellant heeft tegen het met ingang van 1 februari 2012 gegeven ontslag aangevoerd dat de korpschef onvoldoende heeft onderbouwd dat hij ongeschikt is voor het vervullen van zijn ambt. Appellant wijst in dit verband op de al eerder genoemde positieve verklaringen van zijn collega’s, het feit dat hij in het verleden goed heeft gefunctioneerd en dat hij in de praktijk in de functie van [functie A.] werkzaam is gebleven. Indien de korpschef al bevoegd is tot het verlenen van ontslag op de door hem gehanteerde grond, dan nog heeft hij niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken. Appellant wijst in dat verband op de moeilijke situatie waarin hij door het verlies van zijn kinderen heeft verkeerd, welke situatie zijn functioneren gedurende langere tijd nadelig heeft beïnvloed.

4.6.

In artikel 94, eerste lid, onderdeel g, van het Barp is bepaald dat de ambtenaar kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid en ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1926) moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Volgens eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 18 maart 2010:ECLI:NL:CRVB:2010:BL9739) is ontslag op deze grond in het algemeen slechts dan toelaatbaar als de ambtenaar op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.


4.7.

Het oordeel van de rechtbank dat aan de in 4.6 genoemde maatstaf is voldaan, is juist. Appellant heeft niet weersproken dat hij in de periode van mei 2008 tot 23 december 2010 onvoldoende heeft gefunctioneerd en dat hij daarop herhaaldelijk is aangesproken. Op grond daarvan was twijfel gerechtvaardigd of hij geschikt is voor de vervulling van zijn functie. Tijdens het functioneringsgesprek van 23 december 2010 heeft de korpschef hem een (laatste) verbeterkans geboden. Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.4 over de beoordeling over de periode van 23 december 2010 tot 22 augustus 2011 is overwogen, is appellant, ook al was in het laatste deel van de beoordelingsperiode een verbetering in zijn functioneren merkbaar, er niet in geslaagd om die verbeterkans te benutten en zijn functioneren op het vereiste niveau te brengen. De korpschef was dan ook bevoegd om appellant met toepassing van artikel 94, eerste lid, onderdeel g, van het Barp te ontslaan. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft de omstandigheid dat hij blijkens het verslag van een functioneringsgesprek in april 2003 toen goed heeft gefunctioneerd, geen betekenis voor het antwoord op de vraag of hij bijna negen jaar later, op 1 februari 2012, geschikt is voor het door hem beklede ambt. De beroepsgrond van appellant dat hij na 1 februari 2012 in de praktijk in de functie van [functie A.] werkzaam is gebleven en dat daarom van ongeschiktheid voor de functie geen sprake kan zijn, wordt eveneens verworpen. Appellant heeft zijn stelling dat hij in de praktijk in de functie van [functie A.] werkzaam is gebleven, niet aannemelijk gemaakt. Daarvoor is, gelet op de toelichting van de korpschef ter zitting van de Raad, onvoldoende dat in de periode na

1 februari 2012 nog processen-verbaal zijn opgemaakt waarin appellant als hoofdagent wordt aangeduid.


4.8.

Het oordeel van de rechtbank dat de korpschef in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, is juist. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft de korpschef bij de afweging van het organisatiebelang enerzijds en de belangen van appellant anderzijds voldoende rekening gehouden met de trieste gebeurtenissen die appellant zijn overkomen. Zo is appellant vanaf het moment dat hij na die gebeurtenissen weer met werken is begonnen (1 oktober 2007) ruim de tijd geboden zijn functioneren op het benodigde niveau te krijgen.


Aanstelling


4.9.

Tegen de aanstelling in de functie van medewerker BPF-A heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Die aanstelling behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.


conclusie


4.10.

Op grond van wat hiervoor ten aanzien van de beoordeling en het ontslag is overwogen, treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2015.





(getekend) R. Kooper




De griffier is buiten staat te ondertekenen



HD