Centrale Raad van Beroep, 26-08-2015 / 12-6898 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:2957

Inhoudsindicatie
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellant is overleden. Niet kan worden gezegd dat de overledene enig belang heeft bij de voortzetting van het geding. Erfgenamen zijn niet bekend. Na de oproep in de Staatscourant hebben geen belanghebbenden verzocht als partij aan het geding te mogen deelnemen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-08-26
Publicatiedatum
2015-09-03
Zaaknummer
12-6898 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ERF-Updates.nl 2015-0302
Uitspraak

12/6898 AWBZ

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

16 november 2012, 12/1926 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Achmea Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant is op 16 juli 2013 overleden.

Bij brief van 21 januari 2015 heeft mr. Bakker de Raad bericht dat zij niet zal optreden namens eventuele erfgenamen van appellant.

De Raad heeft gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de Staatscourant van 16 juni 2015 aangekondigd dat het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden op 15 juli 2015.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2015. Van de zijde van de erfgenamen van appellant is niemand verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door K.A.H. van Doorn-Veerman.

OVERWEGINGEN


1.1.

Naar het oordeel van de Raad is het hoger beroep gelet op de hiervoor onder het procesverloop beschreven feiten niet (langer) ontvankelijk. Daartoe overweegt de Raad als volgt.


1.2.

Appellant is op 16 juli 2013 overleden. Niet kan worden gezegd dat de overledene enig belang heeft bij de voortzetting van het geding. Erfgenamen die appellant als partij in het onderhavige geding zijn opgevolgd en het geding zouden willen voortzetten zijn de Raad niet bekend. Na de oproep van de Raad in de Staatscourant hebben geen belanghebbenden verzocht als partij aan het geding te mogen deelnemen.


1.3.

Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat het processuele belang aan de beoordeling van het hoger beroep is komen te ontvallen, zodat het hoger beroep

niet-ontvankelijk moet worden verklaard.


2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) J.R. van Ravenstein




HD