Centrale Raad van Beroep, 02-09-2015 / 14/5870 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:2979

Inhoudsindicatie
Inschaling. Onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van appellante dat door informatie van de Belastingdienst bij haar de indruk kan zijn gewekt dat schaal 14 behoorde tot haar carrièreperspectief. Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-02
Publicatiedatum
2015-09-10
Zaaknummer
14/5870 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5870 AW

Datum uitspraak: 2 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 augustus 2014, 14/2127 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de staatssecretaris heeft mr. B.J.M. Oenema, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Appellante is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Oenema.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is sedert 15 augustus 1986 werkzaam bij de Belastingdienst. Zij is in 1989 geselecteerd voor de accountants- of inspecteurscategorie en in augustus van dat jaar gestart met de opleiding tot adjunct-accountant 1e klasse. Zij behoorde tot lesgroep [nummer 1] en is geworven met personeelsaanschrijving [nummer 2] .


1.2.

Bij brief van 19 september 2013 heeft appellante de staatssecretaris met een beroep op de vangnetregeling als bedoeld in hoofdstuk 21, onderdeel 1.2.4.5 van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB) verzocht haar met ingang van 1 oktober 2010 in te schalen in salarisschaal 14 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.


1.3.

Bij besluit van 1 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 februari 2014 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris dat verzoek afgewezen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft zij overwogen dat appellante de staatssecretaris in september 2013 heeft verzocht om herziening van haar inschaling vanaf een datum in 2010 en dat dat verzoek daarom moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van een eerder besluit over haar bezoldiging. Met betrekking tot de aanspraken van appellante over de periode voorafgaand aan het verzoek van 19 september 2013 is volgens de rechtbank niet gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Met betrekking tot de aanspraken van appellante over de periode vanaf het verzoek van 19 september 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat door informatie van de Belastingdienst bij haar de indruk kan zijn gewekt dat salarisschaal 14 behoorde tot haar carrièreperspectief en dat de weigering van de staatssecretaris om toepassing te geven aan de vangnetregeling dan ook in stand kan blijven. De rechtbank heeft voorts het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel verworpen op de grond dat niet is gebleken dat gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld.


3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad stelt voorop dat appellante, zoals zij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, niet het oordeel van de rechtbank heeft bestreden voor zover dat ziet op haar aanspraken over de periode voorafgaand aan het verzoek van 19 september 2013. Het hoger beroep ziet uitsluitend op de aanspraken van appellante over de periode vanaf het verzoek van

19 september 2013.


4.2.1.

Hoofdstuk 21, Overgangsbepalingen en slotbepalingen, 1.2.4.5. Onderdeel 4/1.2.8.3, onder 7, van het RPVB, voor zover van belang, luidt als volgt:


“Aan de op 1 juli 1987 in dienst zijnde ambtenaren die op die datum behoorden tot de accountant- of de inspecteurscategorie wordt de garantie van inschaling in schaal 14 geboden, indien zij voldoende geschikt en bekwaam worden geoordeeld voor het functioneren op dat niveau. (…)


De garantie geldt voorts voor degene die weliswaar ná 1 juli 1987 geselecteerd is voor de accountant- of inspecteurscategorie, doch voor wie het op basis van verkregen informatie (bijvoorbeeld de wervingsbrochure voor één van de onderhavige functies) niet onomstotelijk vast kon staan dat het schaal 14-niveau niet langer deel uitmaakte van de desbetreffende carrièrelijn.


Voor de bedoelde ambtenaren van de accountantscategorie zal inschaling in schaal 14 plaats hebben op het moment dat 11 jaren na het slagen voor het examen voor register-accountant zijn verstreken, mits zij op dat moment groepsfunctionaris I zijn (…).”


4.2.2.

Het RPVB is met ingang van 15 juni 2013 vervangen door de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst (PUB). In het PUB is de hiervoor weergegeven vangnetregeling niet langer opgenomen. Gemachtigde van de staatssecretaris heeft ter zitting verklaard dat ook na 15 juni 2013 de inhoud van de hiervoor weergegeven vangnetregeling in het RPVB als vaste gedragslijn wordt gevolgd.


4.3.1.

Appellante heeft aangevoerd dat het voor haar, op basis van verkregen informatie, niet onomstotelijk vast kon staan dat het schaal 14-niveau niet langer deel uitmaakte van de desbetreffende carrièrelijn. Zij heeft erop gewezen dat zij heeft gereageerd op personeelsaanschrijvingen AP2673 van 17 januari 1989 en [nummer 2] van 15 maart 1989. Volgens appellante wordt in die aanschrijvingen weliswaar niet ingegaan op de salarislijnen van de adjunct-accountant, maar wel wordt voor nadere informatie verwezen naar het opleidingsinstituut van de Belastingdienst te Utrecht (opleidingsinstituut). Zij stelt dat zij van het opleidingsinstituut een brief heeft ontvangen met bijgesloten de brochure van het Ministerie van Financiën, genaamd “de opleiding tot adjunct-accountant 1e klasse bij de rijksaccountantsdienst” van oktober 1986 (brochure). In de brochure is vermeld dat na voltooiing van de studie benoeming in de rang van accountant mogelijk is en dat het normale carrièreverloop voor de meesten vervolgens leidt tot de rang van hoofdaccountant-titulair aan welke rang salarisschaal 14 is verbonden.


4.3.2.

In de brief van 19 september 2013 vermeldt appellante dat zij eind mei 2013 een

oud-studiegenote, P, heeft gesproken die haar vertelde dat een andere oud-studiegenote, D, alsnog met terugwerkende kracht in salarisschaal 14 is benoemd en dat die benoeming was gebaseerd op het RPVB en de brochure. Hierin zag appellante aanleiding de staatsecretaris te verzoeken om ook te worden ingeschaald in salarisschaal 14 . Zij vermeldt in die brief verder dat haar weliswaar inmiddels duidelijk is geworden dat de brochure van toepassing was op schoolverlaters die in augustus 1988 met de opleiding tot adjunct-accountant 1e klasse zijn begonnen, zoals D, maar dat het opleidingsinstituut de brochure ook aan sollicitanten van binnen de dienst heeft verstrekt en dat collega P de brochure nog in haar bezit heeft. Bij brief van 3 februari 2014 geeft appellante te kennen dat zij zich niet meer kan herinneren of de brochure is opgevraagd of op initiatief van het opleidingsinstituut is toegezonden, maar dat andere intern geworven studiegenoten de brochure nog wel hebben. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante verklaard dat zij een brief uit Utrecht heeft gekregen, dat daarbij informatie werd gegeven en daarbij werd gezegd dat die niet helemaal op haar van toepassing was. Gelet op de inhoud van de brieven van 19 september 2013 en 3 februari 2014 is niet duidelijk of appellante, zoals zij stelt, de brochure heeft ontvangen vóór zij met de opleiding begon. Zo dit al het geval is geweest, kan uit haar verklaring ter zitting van de rechtbank worden afgeleid dat zij vroegtijdig was gewaarschuwd dat de verstrekte informatie niet zonder meer op haar van toepassing was. Daarmee strookt dat appellante pas in

september 2013 - jaren na het moment waarop zij, zoals zij stelt, in salarisschaal 14 had moeten zitten - om die inschaling heeft verzocht en dat dit appellante kennelijk was ingegeven door een gesprek eerder dat jaar met D. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellante dat door informatie van de Belastingdienst bij haar de indruk kan zijn gewekt dat salarisschaal 14 behoorde tot haar carrièreperspectief. De onder 4.3.1 weergegeven beroepsgrond treft dan ook geen doel.


4.4.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel is genomen. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat cursisten uit de lesgroep van 1988 de brochure hebben ontvangen en op basis daarvan met succes een beroep hebben gedaan op de vangnetregeling. Zij heeft daarbij de naam van D genoemd. Verder heeft appellante erop gewezen dat de lesgroep van 1989 niet alleen bestond uit interne medewerkers die, net als zij, voor de opleiding zijn geworven met personeelsaanschrijving [nummer 2] , maar dat daartoe ook schoolverlaters behoorden die in 1988 zijn geworven en de brochure hebben ontvangen. Deze cursisten uit dezelfde lesgroep zouden op basis van de brochure wel in aanmerking kunnen komen voor inschaling in schaal 14.


4.4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat van strijd met het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. Van gelijke gevallen is immers geen sprake. De door appellante bedoelde ambtenaren, mochten immers, anders dan appellante, op basis van door de Belastingdienst verstrekte informatie, de brochure, veronderstellen dat salarisschaal 14 behoorde tot hun carrièreperspectief. De onder 4.4.1 weergegeven beroepsgrond slaagt dan ook niet.


4.5.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, vormt voorts de omstandigheid dat plaatsing in salarisschaal 14 een aanzienlijke inkomstenverbetering zou betekenen, terwijl de kosten voor de staatssecretaris in verhouding gering zijn, geen grond om haar in salarisschaal 14 in te schalen.


4.6.

Op grond van wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en M.T. Boerlage en

M.I. ‘t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015.




(getekend) J.J.A. Kooijman




(getekend) B. Rikhof




HD