Centrale Raad van Beroep, 01-09-2015 / 14/2225 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2981

Inhoudsindicatie
Procesbelang, tijdig of later bezwaar maken, in rechte onaantastbaar geworden besluit. Het college heeft het bezwaar tegen besluit 1 wegens het ontbreken van procesbelang op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank bij het beroep tegen bestreden besluit II de te beoordelen periode terecht heeft beperkt tot de periode van 15 tot en met 31 januari 2013. Dit beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-01
Publicatiedatum
2015-09-04
Zaaknummer
14/2225 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2225 WWB, 14/2227 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 maart 2014, 13/6178 en 13/9108 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. E. Tamas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Voor appellant is mr. Tamas verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 3 juni 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%.


1.2.

Bij besluit van 5 oktober 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2012 voor de duur van een maand verlaagd met 100%. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft het college niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend. Bij besluit van 8 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2013, heeft het college de bijstand van appellant voorts met ingang van

1 december 2012 voor de duur van twee maanden verlaagd met 100%. Het beroep tegen het besluit van 12 maart 2013 heeft de rechtbank bij uitspraak van 11 september 2013 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld.


1.3.

Bij besluit van 25 januari 2013 (besluit 1) heeft het college de betaling van de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2013 stopgezet. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant desgevraagd niet de nodige gegevens heeft aangeleverd. Daarbij heeft het college appellant tevens verzocht voor 8 februari 2013 contact op te nemen met zijn consulent. Tegen dit besluit tot blokkering van de bijstand heeft appellant bij brief van 7 maart 2013 bezwaar gemaakt.


1.4.

Bij besluit van 8 februari 2013 (besluit 2) heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2013 opgeschort op de grond dat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar de vraag of hij nog recht op bijstand heeft. Daarbij heeft het college kenbaar gemaakt dat de bijstand zal worden ingetrokken per 1 februari 2013 als hij niet voor 22 februari 2013 de gevraagde stukken compleet aanlevert.


1.5.

Bij besluit van 22 februari 2013 (besluit 3) heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken met ingang van 1 februari 2013. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet binnen de gestelde termijn aan zijn verplichtingen heeft voldaan.


1.6.

Bij besluit van 7 maart 2013 (besluit 4) heeft het college de bijstand van appellant onder toepassing van de artikelen 17 en 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken met ingang van

15 januari 2013 op de grond dat hij niet langer woont op het door hem opgegeven woonadres. Door dit na te laten heeft appellant onvoldoende inlichtingen verstrekt met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.


1.7.

Bij besluit van 17 juni 2013 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van de blokkering van de bijstand omdat het besluit tot intrekking van de bijstand per 1 februari 2013 inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden.


1.8.

Bij besluit van 30 september 2013 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar tegen besluit 4, met wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard. Volgens het college heeft de intrekking, wegens eerdere besluitvorming, slechts rechtsgevolg voor en kan deze slechts zien op de periode van 15 tot en met 31 januari 2013. Appellant is over dat tijdvak in gebreke gebleven duidelijkheid te verstrekken over zijn feitelijke woon- en verblijfsituatie, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Daarbij heeft het college de grondslag gewijzigd van artikel 54, vierde lid, van de WWB in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond verklaard en het beroep tegen bestreden besluit II niet-ontvankelijk. Daarbij heeft de rechtbank ten aanzien van bestreden besluit I overwogen dat appellant met zijn bezwaar tegen de stopzetting van de betaling van de bijstand per 1 februari 2013 niet langer kon bereiken dat de uitbetaling vanaf die datum zou worden hervat, omdat de intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB per diezelfde datum inmiddels in rechte was komen vast te staan. Ten aanzien van bestreden besluit II heeft de rechtbank overwogen dat de intrekking slechts de periode van 15 tot en met 31 januari 2013 betreft en dat de bijstand van appellant over de periode van 1 december 2012 tot en met 31 januari 2013, en dus ook over de te beoordelen periode, reeds met 100% was verlaagd. Omdat deze verlaging in rechte is komen vast te staan, kan appellant met zijn beroep niet bereiken dat hem alsnog bijstand over de periode van 15 tot en met 31 januari 2013 wordt verleend. Wegens vervallen procesbelang dient het beroep dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat besluit 4 niet enkel op de periode 15 tot en met 31 januari 2013 ziet, maar ook op de periode vanaf 1 februari 2013, en dat dus ook tegen besluit 3 niet afzonderlijk bezwaar behoefde te worden gemaakt, dat besluit 3 overigens pas op 2 juli 2013 en dus ruim na de bekendmaking van besluit 4 op 29 mei 2013, aan hem bekend is gemaakt, en dat dus procesbelang bestaat bij een beoordeling van de bestreden besluiten I en II, die immers zien op de besluiten 1 en 2.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.


4.2.

Voorop staat dat appellant tegen de besluiten 2 en 3 inzake opschorting respectievelijk intrekking met ingang van 1 februari 2013 geen bezwaar heeft gemaakt. Appellant heeft wel betoogd dat hij van deze besluiten pas in juli 2013 kennis heeft kunnen nemen, maar dit betoog slaagt niet, reeds omdat in het beroepschrift van 29 juli 2013 tegen bestreden besluit I staat dat het besluit van 22 februari 2013 (besluit 3) hem bij schrijven van 28 mei 2013 (nogmaals) is toegezonden. Overigens kan uit het op 7 juni 2013 ingediende bezwaarschrift tegen besluit 4 op geen enkele wijze worden afgeleid dat dit mede gericht was tegen besluit 3. Nu appellant niet tijdig, maar ook later niet, bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten 2 en 3, moet worden vastgesteld dat deze besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden.


4.3.

Appellant heeft nog aangevoerd dat besluit 3 geen rechtsgevolg kan hebben nu de bijstand van appellant bij besluit 4 reeds met ingang van 15 januari 2013 was ingetrokken. Deze stelling houdt reeds hierom geen stand omdat daarbij wordt uitgegaan van de - onjuiste - veronderstelling dat besluit 4 eerder is genomen en bekend gemaakt dan besluit 3. Van het nogmaals intrekken van bijstand per 1 februari 2013 is derhalve geen sprake geweest.


4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college het bezwaar tegen besluit 1 (blokkering van de bijstand per 1 februari 2013) wegens het ontbreken van procesbelang op goede gronden

niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit I is daarom terecht ongegrond verklaard.


4.5.

Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat de rechtbank bij het beroep tegen bestreden besluit II, in navolging van het college, de te beoordelen periode terecht heeft beperkt tot de periode van 15 tot en met 31 januari 2013. Aangezien het college de bijstand van appellant over deze periode reeds bij wijze van maatregel met 100% had verlaagd en dat besluit (na bezwaar en beroep) in rechte onaantastbaar is geworden - en het ongedaan maken van de wintrekking dus niet tot verlening van bijstand zou kunnen leiden - heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit II terecht niet-ontvankelijk verklaard.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) R.G. van den Berg




HD