Centrale Raad van Beroep, 01-09-2015 / 14/1813 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2987

Inhoudsindicatie
Verlaging bijstand met 50% gedurende een maand. Geen feitelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-01
Publicatiedatum
2015-09-10
Zaaknummer
14/1813 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1813 WWB

Datum uitspraak: 1 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

21 februari 2014, 13/2156 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A. van Enckevort, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Enckevort. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I.M. Meurkens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt vanaf 16 juni 2004 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een gehuwde. Appellant heeft op 24 januari 2013 een gesprek gevoerd met [naam werkgeversadviseur] (H), werkgeversadviseur van de gemeente Venlo, over werk bij [naam bedrijf] . Appellant heeft in dit gesprek vragen gesteld over de reistijd van en naar het werk. In februari 2013 heeft appellant een gesprek gevoerd met de werkcoach

[naam werkcoach] (G) en vervolgens met H. In de rapportage die van dat gesprek is opgemaakt, heeft G vermeld dat appellant het werk bij [naam bedrijf] weigert omdat hij de reistijd niet betaald krijgt. Appellant heeft hierdoor geen baan bij [naam bedrijf] aangeboden gekregen.


1.2.

Bij besluit van 20 februari 2013 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 januari 2013 met 100% verlaagd op de grond dat hij het werk bij [naam bedrijf] heeft geweigerd.


1.3.

Bij besluit van 6 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant in zoverre gegrond verklaard dat de verlaging van de bijstand nader wordt vastgesteld op 50% gedurende een maand in plaats van op 100%. Hierbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er nog geen concreet aanbod voor werk was, zodat niet kan worden gezegd dat appellant het werk bij [naam bedrijf] heeft geweigerd. Hij heeft echter door zijn ongemotiveerde houding niet meegewerkt aan het verkrijgen van een baan. Die gedraging valt volgens het college onder artikel 9, tweede lid, onder b, van de Afstemmingsverordening WWB van de gemeente Venlo (Afstemmingsverordening) en leidt tot de genoemde verlaging.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat ten tijde van het bestreden besluit de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand (Maatregelenverordening) van toepassing was zoals die vanaf 7 maart 2013 binnen de gemeente Venlo geldend is. Het college heeft aan het bestreden besluit ten onrechte de (oude) Afstemmingsverordening ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht gepasseerd nu appellant daardoor niet in zijn belangen is geschaad. In beide verordeningen is de verweten gedraging als maatregelwaardig opgenomen en aangemerkt als een gedraging van de tweede categorie die leidt tot een verlaging van 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, te weten het in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling. Volgens de rechtbank is het college terecht overgegaan tot het opleggen van de maatregel.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat tijdens de gesprekken met H en G geen informatie is gegeven over de inhoud van het werk, de plaats waar het werk zou moeten worden verricht en de reisduur. Hij heeft uiteengezet dat dit voor hem van belang was in verband met zijn rugklachten. Voorts heeft hij bestreden dat sprake was van een ongemotiveerde houding. Het enkele summiere gespreksverslag is onvoldoende om dit aannemelijk te achten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het college heeft in het bestreden besluit het eerdere standpunt dat appellant een concreet werkaanbod heeft geweigerd laten vallen en zich nader op het standpunt gesteld dat appellant door zijn ongemotiveerde houding niet heeft meegewerkt aan het verkrijgen van een baan (lees: voorziening). Deze gedraging valt volgens het college onder artikel 9, aanhef en tweede lid, onder b, van de Afstemmingsverordening. In artikel 7, tweede lid, onder c, van de Maatregelenverordening is een nagenoeg gelijke bepaling opgenomen als in de genoemde bepaling van de Afstemmingsverordening. Dit artikelonderdeel luidt als volgt: “het in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede meewerken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of beëindiging van het traject”.


4.2.

Een ongemotiveerde houding is op zichzelf niet voldoende om aan te nemen dat appellant onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening. Het college heeft zich immers zelf nader op het standpunt gesteld dat van een concreet werkaanbod nog geen sprake was. Bij het ontbreken van een concreet aangeboden voorziening kan niet worden gezegd dat appellant daarvan onvoldoende gebruik heeft gemaakt. Het niet meewerken aan het verkrijgen van een voorziening zou wel kunnen vallen onder artikel 7, aanhef en tweede lid, onder e, van de Maatregelenverordening: “gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren”. Een soortgelijke bepaling was echter niet in de tot

7 maart 2013 geldende Afstemmingsverordening opgenomen. De rechtbank heeft weliswaar terecht overwogen dat ten tijde van het bestreden besluit de Maatregelenverordening van toepassing was, maar dat betekent niet dat voor een gedraging die ten tijde dat deze zich voordeed nog niet maatregelwaardig was achteraf toch een maatregel kan worden opgelegd. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich daartegen. Vergelijk de uitspraak van de Raad van

6 december 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU7664. De vraag of aan appellant nu wel of niet concrete informatie is verschaft over de plaats van het werk en de reisduur behoeft daarom niet meer aan de orde te komen. Ditzelfde geldt voor de vraag of bij appellant sprake was van een ongemotiveerde houding of dat hij, zoals hij zelf zegt, alleen maar antwoord op zijn vragen wilde hebben.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat er geen feitelijke grondslag is voor het opleggen van een maatregel. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het besluit van 20 februari 2013 herroepen. Dit betekent dat het college aan appellant alsnog volledige bijstand moet betalen over de maand januari 2013.


5. Het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bijstand komt voor toewijzing in aanmerking. Het college dient de wettelijke rente te vergoeden vanaf de eerste dag van de maand februari 2013 tot aan de dag van algehele voldoening. Voor de berekening wordt verder verwezen naar de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.960,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 6 juni 2013;

- herroept het besluit van 20 februari 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde besluit van 6 juni 2013;

- veroordeelt het college tot vergoeding aan appellant van schade in de vorm van wettelijke

rente zoals onder 5 vermeld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2015.




(getekend) J.C.F. Talman




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD