Centrale Raad van Beroep, 08-09-2015 / 14-3126 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3029

Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-08
Publicatiedatum
2015-09-10
Zaaknummer
14-3126 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3126 WWB

Datum uitspraak: 8 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

20 mei 2014, 13/7815 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Ede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam A] hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft nadere brieven ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Voor appellant is

[naam A] verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel gedurende één maand verlaagd met 50%. Bij besluit van 21 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2013 ongegrond verklaard.


1.3.

Bij brief van 28 november 2013 heeft appellant beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van - kort gezegd - niet-verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft overwogen dat het beroepschrift te laat is ingediend, aangezien dit blijkens het poststempel op de enveloppe op 6 december 2013 ter post is bezorgd en op de griffie van de rechtbank is ontvangen op 10 december 2013. Dit terwijl de beroepstermijn liep tot 3 december 2013. Appellant heeft niet aangetoond dat het beroepschrift eerder dan 6 december 2013 ter post is bezorgd.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In hoger beroep is uitsluitend de vraag aan de orde of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.


4.2.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.


4.3.

Terpostbezorging vindt plaats op het moment waarop een poststuk in een brievenbus van PostNL wordt gedeponeerd dan wel op het moment waarop het op een vestiging van PostNL wordt aangeboden. De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum door PostNL is afgestempeld, sluit niet uit dat het stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd. Dat neemt niet weg dat het datumstempel van PostNL veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door PostNL is afgestempeld. Bevat het stuk een poststempel van PostNL met een datum gelegen na de laatste dag van de termijn, dan is het aan belanghebbende aannemelijk te maken dat het geschrift op een eerdere datum dan het poststempel aangeeft en wel uiterlijk op de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant daarin niet is geslaagd. In hoger beroep heeft appellant evenmin omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat het beroepschrift eerder ter post is bezorgd. Appellant heeft ter zitting nog gewezen op een stuk van 25 november 2013, dat volgens hem voor het einde van de beroepstermijn is ingediend, separaat van het beroepschrift gedateerd 28 november 2013. Dit is uit de stukken echter niet op te maken. Het stuk van 25 november 2013 is niet apart geadresseerd en bevat de gronden van het beroep. In het dossier van de rechtbank is dit achter het beroepschrift van

28 november 2013 gevoegd en staat hierop eveneens een ontvangststempel van

10 december 2013. Dit leidt tot het oordeel dat de rechtbank het beroep terecht

niet-ontvankelijk heeft verklaard. Wat appellant heeft aangevoerd over de communicatie van de rechtbank over hetgeen ter zitting zou worden besproken, maakt dit niet anders.


4.4.

Uit 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2015.



(getekend) W.H. Bel




(getekend) P.C. de Wit



HD