Centrale Raad van Beroep, 08-09-2015 / 14-2998 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3030

Inhoudsindicatie
1) Intrekking en terugvordering bijstand. Onroerende zaak in Turkije. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting. 2) Afwijzing aanvragen bijstand. Appellanten hebben de gevraagde bewijsstukken niet overgelegd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-08
Publicatiedatum
2015-09-15
Zaaknummer
14-2998 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2998 WWB

Datum uitspraak: 8 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 april 2014, 13/5609 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Dongen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.P.M.M. Heijkant, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Heijkant. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Huijbregts.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 18 augustus 2008 bijstand naar de norm voor gehuwden, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Uit onderzoek is gebleken dat appellant sedert 19 juli 2009 een onroerende zaak op zijn naam heeft staan in Turkije, waarvan de waarde is vastgesteld op € 34.000,-.


1.3.

Bij besluit van 17 november 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juli 2012, heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 september 2011 beëindigd

(lees: ingetrokken) wegens vermogensbezit boven de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen. Tegen het besluit van 9 juli 2012 hebben appellanten geen beroep ingesteld.


1.4.

Bij besluit van 8 november 2012 heeft het college besloten de bijstand van appellanten over de periode van 19 juli 2009 tot 1 september 2011 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 22.754,18 van appellanten terug te vorderen. Doordat appellanten de eigendom van de woning in Turkije niet tijdig of niet volledig aan het college hebben gemeld, hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellant beschikte over vermogen boven de vrijlatingsgrens zodat aan appellanten ten onrechte bijstand is verleend.


1.5.

Bij besluit van 31 december 2012 heeft het college de aanvraag van appellanten om bijstand van 7 september 2012 afgewezen, omdat niet voldaan is aan de inlichtingenverplichting. Bovendien kan niet worden vastgesteld of appellante voldoet aan de voorwaarden van artikel 11, tweede lid, van de WWB.


1.6.

Bij besluit van 20 februari 2013 heeft het college de aanvraag van appellanten om bijstand van 4 januari 2013 afgewezen omdat ten opzichte van het besluit van 31 december 2012 niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.


1.7.

Bij besluit van 23 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 8 november 2012 en 20 februari 2013 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het besluit van 31 december 2012 is met wijziging van de motivering van dat besluit ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Intrekking en terugvordering over de periode van 19 juli 2009 tot 1 september 2011


4.1.

Appellanten betwisten ook in hoger beroep niet dat in de gehele periode hier in geschil een woning in Turkije op naam van appellant stond geregistreerd.


4.2.

Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.


4.3.

Appellanten zijn daarin niet geslaagd, nu zij niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk hebben gemaakt dat appellant in de beoordelingsperiode niet redelijkerwijs kon beschikken over de onroerende zaak die op zijn naam stond geregistreerd. De stelling van appellanten dat de woning wellicht formeel het eigendom was van appellant, maar dat dit appartement feitelijk altijd aan de dochter van appellant heeft toebehoord, vindt geen steun in schriftelijke bescheiden of anderszins controleerbare gegevens. Aan de achteraf opgestelde verklaring van de dochter van appellant van 3 januari 2013 kan niet de betekenis worden gehecht die appellanten daaraan toegekend willen zien, omdat deze niet op enigerlei wijze met verifieerbare stukken is onderbouwd. Zo hebben appellanten niet aan de hand van afschriften van een bankrekening en daarop zichtbare geldstromen of op andere wijze aannemelijk gemaakt dat de dochter van appellant het appartement heeft aangekocht en feitelijk eigenaar was. Verder bevindt zich onder de gedingstukken een afschrift van een ‘resmi senet’ van 10 juli 2012 waaruit blijkt dat appellant het volledige blote deel van de onroerende zaak met behoud van het oneindige vruchtgebruik op zijn naam heeft verkocht aan zijn dochter. Deze akte wijst niet uit dat de dochter al eerder als eigenaar van de onroerende zaak moest worden beschouwd en deze stelling valt ook niet te rijmen met het feit dat appellant het vruchtgebruik daarvan heeft behouden. Bovendien blijkt uit deze akte dat appellant over de onroerende zaak kon beschikken. Voor de hier te beoordelen periode moet de onroerende zaak dan ook worden gerekend tot het vermogen waarover appellant redelijkerwijs kon beschikken om in de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud van appellanten te voorzien.


4.4.

Door het college nimmer in kennis te stellen van de op naam van appellant geregistreerde onroerende zaak in Turkije, zijn appellanten de wettelijk op hen rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Appellanten had het redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat, omdat appellant - zoals zij ook erkennen - als eigenaar van de onroerende zaak te boek stond, dit gegeven van invloed zou kunnen zijn op het recht op bijstand. Appellanten hebben betoogd dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende machtig was en ervan uit ging dat de vraag op de formulieren enkel betrekking had op onroerende zaken in Nederland. Dit doet aan de schending van de inlichtingenverplichting niet af. Appellanten hebben bovendien aan het college niet laten weten niet te begrijpen wat van hen werd verlangd, terwijl het bovendien op hun weg had gelegen om, indien zij dit inderdaad niet hadden begrepen, ter zake hulp te zoeken om daarover helderheid te verkrijgen. Overigens waren appellanten, los van de inlichtingenformulieren, verplicht uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand.


4.5.

Appellanten hebben de gronden van bezwaar herhaald en aldus de door het college vastgestelde waarde van de onroerende zaak bestreden. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat appellant in het gesprek van 30 maart 2011 heeft erkend dat de waarde van de woning ongeveer € 34.000,- bedraagt en de van dit gesprek opgemaakte verklaring heeft ondertekend. Voorts hebben appellanten ook in hoger beroep hun stelling dat de waarde van het onroerend goed niet de grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt, niet aannemelijk gemaakt aan de hand van objectieve en verifieerbare stukken, zoals een rapport van een ter zake deskundige waaruit de onjuistheid van de taxatie waarop het college zich beroept zou kunnen blijken. Dat appellant de onroerende zaak op 10 juli 2012 voor TL 12.000,- heeft overgedragen, vormt geen grond van een andere waarde uit te gaan. Het betrof hier een overdracht aan de dochter van appellant, die volgens de verklaring van appellanten materieel al eigenaar was en van welke overdracht niet op voorhand kan worden aangenomen dat deze tegen de marktwaarde heeft plaatsgevonden.


Afwijzing van de aanvragen van september 2012 en januari 2013


5.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college deze aanvragen terecht heeft afgewezen. Uit de overgelegde ‘resmi senet’ van 10 juli 2012 blijkt dat de onroerende zaak voor een bedrag van TL 12.000,- is overgedragen aan de dochter van appellanten en dat appellant het bedrag van de verkoop volledig heeft ontvangen. De door het college gevraagde bewijsstukken die ertoe strekken inzicht te verschaffen in de financiële overdracht, waren van belang om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Appellanten hebben deze bewijsstukken niet overgelegd. Hun stelling dat geen geldoverdracht tussen hen en de dochter van appellant heeft plaatsgevonden, strookt niet met wat in de officiële akte is opgenomen. Deze enkele stelling is dan ook onvoldoende om vast te stellen dat de overdracht zonder feitelijke betaling is geschied.


5.2.

Aan de omstandigheid dat aan appellanten met ingang van 17 februari 2015 wederom bijstand is toegekend, komt voor de beoordeling van de afwijzing van de hier voorliggende aanvragen geen betekenis toe, omdat, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, het besluit van 15 april 2015 is genomen op grond van gewijzigde omstandigheden.


5.3.

De afwijzing van de aanvraag van 29 februari 2014 en van de aanvraag van 14 april 2014 vallen beide buiten de omvang van dit geding en blijven dus onbesproken.


6. Uit 4.1 tot en met 4.5 en 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) R.G. van den Berg




HD