Centrale Raad van Beroep, 04-09-2015 / 14-151 ZVW-T


ECLI:NL:CRVB:2015:3038

Inhoudsindicatie
Het bestreden besluit is bevoegdelijk genomen door het Zorginstituut. De buitenlandbijdrage valt buiten de omvang van dit geding. “Woonplaats” begrip. Er zijn voldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat appellant vanaf 14 december 2010 in Italië zijn woonplaats had. Door stelselmatig geen gebruik te maken van de bevoegdheid bedoeld in artikel 25, zevende lid, van Vo 987/2009, ook niet in een geval als dit, waar sprake lijkt te zijn van een situatie die specifiek is beoogd door de communautaire regelgever, heeft het Zorginstituut onzorgvuldig en in strijd met de gegeven communautaire bevoegdheid gehandeld. Opdracht gegeven de gebreken in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-04
Publicatiedatum
2015-09-15
Zaaknummer
14-151 ZVW-T
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/151 ZVW-T

Datum uitspraak: 4 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 november 2013, 12/3761 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] , Italië (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en het Zorginstituut hebben - mede op verzoek van de Raad - nog stukken toegestuurd en hebben op elkaars standpunten gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2015. Appellant is daarbij in persoon verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is geboren [in] 1935. Hij ontvangt onder meer sinds 1998 een Duitse Altersrente en sinds 2000 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).


1.2.

Appellant is per 1 januari 2006 aangemerkt als verdragsgerechtigde als bedoeld in artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Dit betekent dat appellant tot 1 mei 2010 op grond van het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) en vanaf 1 mei 2010 op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht heeft op medische zorg in zijn woonland ten laste van Nederland. Tevens heeft appellant, onder voorwaarden, recht op vergoeding van door hem buiten zijn woonland in de Europese Unie gemaakte kosten voor medische zorg.


1.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op grond van zijn Duitse Altersrente geen zogenaamd prevalerend recht in Duitsland heeft, omdat op grond van Duitse regelgeving dit pensioen niet leidt tot een wettelijk recht op zorg in Duitsland. Het Duitse bevoegde orgaan, Barmer Ersatzkasse, (BEK) heeft met de E-121-verklaring van 11 oktober 2006 bevestigd dat appellant per 21 april 2006 recht heeft op zorg in Duitsland ten laste van Nederland. Kennelijk naar aanleiding van een melding van de Svb dat appellant verhuisd is naar Italië, heeft het Zorginstituut in december 2010 door middel van een E 108-formulier aan het Duitse orgaan BEK bericht dat appellant niet meer woonachtig is in Duitsland. Het Duitse orgaan heeft op 13 december 2010 de ontvangst van het E 108-formulier bevestigd en vermeld dat appellant vanaf die datum geen recht meer heeft op verstrekkingen in Duitsland ten laste van Nederland.


1.4.

In 2011 heeft appellant het Zorginstituut verzocht om vergoeding van medische kosten die hij in de periode tussen oktober 2009 en 14 december 2010 tijdens zijn verblijf in Italië heeft gemaakt. Appellant heeft hierbij opgemerkt dat hij niet op de hoogte is gesteld van de uitschrijving bij zijn Duitse verzekeringsorgaan en heeft bestreden dat hij, zoals door het Zorginstituut is aangenomen, met ingang van 14 december 2010 niet meer woonachtig is in Duitsland.


1.5.

Bij brief van 21 maart 2011 heeft het Zorginstituut aan appellant meegedeeld dat hij sinds 14 december 2010 in Italië woont en dat hij zich met het toegezonden formulier E 121 bij het Italiaanse bevoegde verzekeringsorgaan dient in te schrijven om recht te hebben op verstrekkingen aldaar. De nota van 14 december 2010 kan hij dan bij het Italiaanse orgaan indienen. Met betrekking tot de nota’s die dateren van vóór 14 december 2010, toen appellant nog als woonachtig in Duitsland is aangemerkt, is het volgende opgemerkt. Ten aanzien van de nota’s die betrekking hebben op de periode voor 1 mei 2010 is het Duitse orgaan bevoegd om te oordelen of appellant recht heeft op vergoeding van de in Italië gemaakte kosten. Die nota’s dient appellant aan te bieden bij de Duitse verzekeringsinstelling BEK. Ten aanzien van de nota’s die betrekking hebben op de periode na 1 mei 2010 is het Zorginstituut de bevoegde instantie om te beoordelen of appellant recht heeft op vergoeding van die kosten. Deze kosten worden vergoed volgens de wettelijke regeling van het land van verblijf.


1.6.

Het Zorginstituut heeft de declaraties van appellant die betrekking hebben op de periode van 1 mei 2010 tot en met 13 december 2010 met een E 126-formulier gezonden aan het bevoegde Italiaanse orgaan. Het Italiaanse orgaan heeft te kennen gegeven dat slechts een gering deel van de gedeclareerde kosten voor vergoeding in aanmerking komt. Bij besluit van 18 mei 2011 heeft het Zorginstituut de door appellant gemaakte medische kosten in Italië vergoed tot een bedrag van € 79,43 plus een bedrag van € 31,54 uit coulance.


1.7.

Bij besluit van 24 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 mei 2011 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 18 mei 2011 herroepen, met veroordeling van het Zorginstituut in proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft hiertoe verwezen naar haar uitspraak van 1 februari 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0920) waarin de rechtbank het Zorginstituut onbevoegd heeft geacht het bestreden besluit te nemen, in welke uitspraak het Zorginstituut heeft berust.


3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het hem niet meer gaat om de vergoeding van de medische kosten, omdat hij het restant inmiddels vergoed heeft gekregen door middel van zijn aanvullende verzekering van Achmea. Hij beklaagt zich erover over dat eind 2010 zijn Duitse verzekering is opgezegd zonder dat hij hierover is geïnformeerd. Bovenal bestrijdt hij de aanname van het Zorginstituut dat hij in Italië en niet meer in Duitsland woont. Hij heeft in beide landen een woning en wil Duitsland - ook om fiscale redenen - als zijn woonland aangemerkt zien. Voorts wil hij niet aangewezen zijn op het Italiaanse zorgstelsel. Ook is hij het niet eens met de AWBZ-bijdrage die hij moet betalen, omdat er in Italië geen AWBZ-voorzieningen zijn.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Allereerst dient beoordeeld te worden of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet bevoegdelijk is genomen door het Zorginstituut.


4.1.2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1270, wordt overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Zorginstituut het bestreden besluit niet bevoegdelijk heeft genomen. In die uitspraak is voorts overwogen dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 7 februari 2014, gepubliceerd in de Staatscourant van 17 februari 2014, nr. 4177, een besluit heeft genomen waarin is bepaald dat het Zorginstituut sinds 1 januari 2014 wel als bevoegd orgaan is aan te merken voor de vergoeding van kosten van verstrekkingen bij tijdelijk verblijf in een ander land dan het woonland of Nederland. Dat leidt er ook in deze zaak toe dat het Zorginstituut nu wel bevoegd is om het bestreden besluit te nemen. Nu het Zorginstituut zich desgevraagd ter zitting inhoudelijk achter het bestreden besluit heeft gesteld, wordt aanleiding gezien de mogelijkheden van definitieve geschilbeslechting te onderzoeken. Opgemerkt wordt eerst dat het bestreden besluit niet ziet op de door appellant verschuldigde buitenlandbijdrage, zodat de gronden die daarop betrekking hebben, buiten de omvang van dit geding vallen en niet nader worden besproken. Ten aanzien van de geschilpunten in dit geding wordt het volgende overwogen.


4.2.1.

Tussen partijen is niet in geding dat appellant tot 14 december 2010 recht had op medische zorg in Duitsland ten laste van Nederland omdat hij in Duitsland woonde. Partijen verschillen er primair over van mening of appellant ook vanaf 14 december 2010 nog zijn woonplaats in Duitsland had. Bij deze beoordeling is het volgende van belang.

Ingevolge artikel 1, sub j, van Vo 883/2004 wordt onder “woonplaats” verstaan de plaats waar een persoon pleegt te wonen. Dit begrip heeft een autonome, voor het Unierecht specifieke betekenis. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) heeft met betrekking tot Vo 1408/71 al geoordeeld dat, wanneer de rechtspositie van een persoon onder de wetgeving van meerdere lidstaten kan vallen, het begrip lidstaat waar een persoon woont, doelt op de lidstaat waar de betrokkene zijn normale woonplaats heeft en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt (zie bijvoorbeeld de arresten Di Paolo van 17 februari 1977, C-76/76, Swaddling van 25 februari 1999, C-90/97, Wencel van 16 mei 2013, C-589/10, I tegen Health Service Executive van 5 juni 2014, C-255/13 en B. van 11 september 2014, C-394/13). In artikel 11 van Verordening (EG) nr. 987/2009 (Vo 987/2009) zijn de door de rechtspraak van het Hof ontwikkelde criteria op basis waarvan dit centrum van belangen kan worden bepaald, gecodificeerd. Als criteria worden onder meer genoemd de duur en de continuïteit van de aanwezigheid op het grondgebied van de betrokken lidstaten, de gezinssituatie en familiebanden, de huisvestingssituatie, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt. De opsomming in artikel 11 van Vo 987/2009 is echter niet uitputtend en voorziet niet in een rangorde (arrest I, punt 46). Het is aan de nationale rechter om, gelet op alle relevante elementen in het dossier, te beoordelen waar zich de woonplaats van de betrokkene bevindt. Hierbij zijn niet de formele indicaties, zoals inschrijving in een gemeentelijk inwonersregister, doorslaggevend, maar zijn de concrete feiten en omstandigheden bepalend voor de vraag waar de betrokkene het gewone centrum van zijn belangen heeft. Het begrip woonplaats in een lidstaat sluit niet uit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats in een andere lidstaat heeft. Volgens het Hof kan een persoon, voor de toepassing van Vo 1408/71, echter niet tegelijkertijd beschikken over twee normale woonplaatsen op het grondgebied van twee verschillende lidstaten (arrest Wencel, punt 51). Het Hof heeft vastgesteld dat Vo 883/2004 met betrekking tot de bepalingen inzake de vaststelling van de bevoegde lidstaat en het begrip “woonplaats”, geen enkele relevante wijziging ten opzichte van Vo 1408/71 heeft ingevoerd (arrest B., punt 35)


4.2.2.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan het volgende worden opgemaakt. Appellant heeft van 1960 tot 1989 gewerkt in Duitsland en heeft ook een groot deel van die periode daar gewoond. Vervolgens heeft appellant in Italië gewerkt en gewoond. Appellant had een particuliere zorgverzekering die in verband met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet met ingang van 1 januari 2006 werd opgezegd. Aangezien appellant onder het Duitse zorg- en fiscale stelsel wilde vallen, heeft hij besloten in 2006 zijn woonplaats te verleggen van Italië naar Duitsland. Appellant heeft zich vanuit Italië op

17 april 2006 ingeschreven in het bevolkingsregister van [plaatsnaam] . Tot

15 december 2006 heeft hij ingewoond bij zijn zoon op het adres [adres 1] . Van

15 december 2006 tot eind 2010 had appellant een eigen woning op het adres [adres 2] . Naar eigen zeggen verbleef hij ongeveer vier maanden per jaar in dit huis. De overige tijd verbleef appellant in zijn huis in Italië. Dit betreft een eigen appartement in een appartementengebouw waar ook zijn dochter een appartement bewoont. Na de verkoop van zijn huis in Duitsland eind 2010 was appellant vanaf 25 mei 2011 weer ingeschreven op het adres van zijn zoon op [adres 1] . Gebleken is voorts dat het adres van appellant in Italië in de hier relevante periode door diverse Nederlandse instanties als correspondentieadres werd gebruikt en dat ook de door de Svb gevraagde levensbewijzen uit Italië afkomstig waren.


4.2.3.

Op grond van de beschikbare gegevens moet geconcludeerd worden dat voldoende aanknopingspunten bestaan voor het standpunt van het Zorginstituut dat appellant vanaf

14 december 2010 in Italië zijn woonplaats had. Daarbij is van belang dat appellant in Italië de beschikking had over een eigen, zelfstandige woning, terwijl hij bij verblijf in Duitsland slechts over een kamer beschikte in de woning van zijn zoon. Bovendien heeft appellant verklaard dat hij sinds de verkoop van zijn eigen woning in Duitsland nog slechts korte perioden in Duitsland verblijft, in ieder geval minder dan de vier maanden per jaar die hij voorheen in Duitsland verbleef. Het feit dat appellant steeds ingeschreven heeft gestaan in het bevolkingsregister van [plaatsnaam] maakt niet dat hij daar zijn woonplaats heeft behouden. Appellant heeft ook overigens geen omstandigheden naar voren gebracht die zouden moeten leiden tot de conclusie dat het centrum van zijn belangen vanaf 14 december 2010 in Duitsland gelegen was. Alle feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, leiden tot de conclusie dat appellant in ieder geval vanaf 14 december 2010 feitelijk woonplaats had in Italië en dat hij terecht bij het Duitse orgaan BEK per die datum is uitgeschreven. Dit laat echter onverlet dat aan appellant kan worden toegegeven dat het Zorginstituut hem van de op handen zijnde wijziging in zijn verzekeringspositie eerder op de hoogte had kunnen en moeten stellen. Overigens heeft het Zorginstituut dit onderkend en om die reden een nota van februari 2011 voor zijn rekening genomen.

Het voorgaande betekent dat appellant vanaf 14 december 2010 ingevolge artikel 24 van

Vo 883/2004 recht heeft op verstrekkingen in Italië ten laste van Nederland en dat hij de vanaf die datum gemaakte ziektekosten dient te declareren bij het bevoegde Italiaanse verzekeringsorgaan.


4.3.1.

Met betrekking tot de periode tot 14 december 2010, waarin appellant in Duitsland recht had op zorg ten laste van Nederland, wordt het volgende overwogen. In de periode voor 1 mei 2010 was volgens de toen geldende Vo 1408/71 Duitsland het bevoegde land voor de vergoeding van kosten bij tijdelijk verblijf in een ander land dan het woonland. Vanaf 1 mei 2010 komen ingevolge artikel 19 van Vo 883/2004 en 25, vijfde lid, van Vo 987/2009 de medisch noodzakelijke kosten die gemaakt zijn in de lidstaat van tijdelijk verblijf voor rekening van Nederland als de bevoegde lidstaat.

De kosten worden door het Zorginstituut als bevoegd orgaan vergoed, in beginsel tegen het vergoedingstarief dat het orgaan van de verblijfplaats in het betrokken geval toepast. Indien de wetgeving van de lidstaat van verblijf in het betrokken geval niet voorziet in vergoeding overeenkomstig het vierde en vijfde lid, mag ingevolge het zevende lid van artikel 25 van

Vo 987/2009 het Zorginstituut de gemaakte kosten binnen de grenzen en volgens de voorwaarden van de tarieven vastgesteld in zijn wetgeving vergoeden zonder instemming van de betrokkene.


4.3.2.

Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van 17 april 2015 wordt ook nu geoordeeld dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Niet in geschil is dat het hier gaat om medisch noodzakelijk kosten als bedoeld in artikel 19 van Vo 883/2004. Het Zorginstituut heeft weliswaar kunnen besluiten om de vergoeding van die kosten voor appellant vast te stellen met toepassing van artikel 25, vijfde lid, van Vo 987/2009, maar toen daarbij bleek dat op grond van de Italiaanse wettelijke regeling slechts een klein deel van de werkelijk betaalde kosten vergoed kon worden, had het Zorginstituut zich dienen te beraden over de eventuele toepassing van artikel 25, zevende lid, van Vo 987/2009. Op grond van deze bepaling heeft het Zorginstituut de bevoegdheid om in ieder geval een deel van de gemaakte kosten te vergoeden volgens de in Nederland daarvoor geldende tarieven. Blijkens onderdeel 17 van de preambule bij Vo 987/2009 hangt deze bevoegdheid kennelijk samen met het door de communautaire regelgever beoogde doel dat de bepalingen betreffende het verblijf buiten de bevoegde lidstaat geen beletsel zouden mogen vormen voor de toepassing van gunstiger nationale bepalingen, met name met betrekking tot de vergoeding van de in een andere lidstaat gemaakte kosten.


4.3.3.

Kortheidshalve wordt verder verwezen naar de overwegingen in genoemde uitspraak van 17 april 2015 die hebben geleid tot de conclusie dat voor het Zorginstituut een rechtsplicht bestaat om op een zodanige wijze inhoud te geven aan deze bevoegdheid in individuele gevallen dat het doel ervan, mede in het licht van het vrij verkeer van werknemers en het vrij verkeer van burgers van de unie, wordt gerealiseerd. Door stelselmatig geen gebruik te maken van de bevoegdheid bedoeld in artikel 25, zevende lid, van Vo 987/2009, ook niet in een geval als dit, waar sprake lijkt te zijn van een situatie die specifiek is beoogd door de communautaire regelgever, heeft het Zorginstituut onzorgvuldig en in strijd met de gegeven communautaire bevoegdheid gehandeld.


4.4.

Dit betekent dat met betrekking tot de kosten van zorg die appellant heeft gemaakt bij zijn tijdelijk verblijf in Italië in de periode tussen 1 mei 2010 en 14 december 2010 het bestreden besluit niet op een zorgvuldige wijze is voorbereid, alsmede dat een draagkrachtige motivering ontbreekt. Teneinde te komen tot een definitieve geschilbeslechting ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:108 in samenhang met artikel 8:80 van de Algemene wet bestuursrecht en met inachtneming van de overwegingen in 4.3.1 tot en met 4.3.3, het Zorginstituut opdracht te geven de gebreken in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.








BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Zorginstituut op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2015.



(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) S. Aaliouli



UM