Centrale Raad van Beroep, 09-09-2015 / 14-5867 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:3057

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Toereikende medische grondslag. De Raad volgt appellant in zijn standpunt dat vervolgens met de klinische observatie en het daaropvolgende rapport van de psychiater uitsluitsel is gegeven over het gedrag en het (psychiatrisch) toestandsbeeld van betrokkene op de datum in geding, te weten dat geen sprake is van psychopathologie. De verzekeringsarts heeft, onder verwijzing naar de conclusies van die psychiater, overwogen dat sprake is van een nagebootste stoornis in psychiatrische zin, waardoor geen sprake is van ziekte of gebrek in het kader van de WAO en er geen beperkingen bestaan ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van betrokkene. De geselecteerde functies zijn voor betrokkene passend te achten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-09
Publicatiedatum
2015-09-15
Zaaknummer
14-5867 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5867 WAO

Datum uitspraak: 9 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 september 2014, 13/141 en 13/211 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.H.J. van Geffen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. Namens betrokkene is mr. Van Geffen verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam als schoonmaker voor 40 uur per week, toen hij op 9 oktober 1992 uitviel met rugklachten en psychische klachten. Per 8 oktober 1993 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Betrokkene is enige keren herbeoordeeld, waarbij de arbeidsongeschiktheidsklasse ongewijzigd is vastgesteld.


1.2.

Bij besluit van 14 november 2007 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 14 januari 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Aan dit besluit ligt een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 december 2006 (geactualiseerd op 3 augustus 2007) ten grondslag. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij hij heeft verwezen naar een tweetal brieven van psychiater S. Gülsacan van 15 januari 2007 en 25 februari 2008. Hierin staat vermeld:


“(…) dat bovengenoemde patiënt sinds december 2006 bij onze instelling onder medisch-psychiatrische begeleiding staat. Het betreft een voortzetting van de behandeling bij collega Bissessur, psychiater.


Volgens deze collega ging het om (citaat):

“depressie i.e.z. + diffuse angststoornis + paranoide waandenkbeelden”

Laatstgenoemde heeft inhoud van religieuze zaken, de lijdensdruk door de paranoide angst is zeer hoog.

(…)

Ook onzes inziens gaat het echter om psychotische symptomatologie; met (religieus getinte) paranoïde angscomponent. Wij hebben te maken met een religieuze man die erg melancholisch – suicidaal kan reageren.(…)”


en


“(…) Gaandeweg, patiënt steeds langer te hebben gekend, gaan onze diagnostische overweging richting een schizoaffectieve stoornis, aangezien enige psychotische symptomatologie gepaard gaat met de stemmingscomponent van depressieve aard (…)”.


1.3.

Bij besluit van 7 april 2008 (bestreden besluit 1) heeft appellant het tegen het besluit van 14 november 2007 gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep P. Eken (Eken) van 4 april 2008, ongegrond verklaard.


1.4.

Betrokkene heeft, onder verwijzing naar een psychologisch onderzoek van november 2008 van drs. M.R. Nauta, tegen het besluit van 7 april 2008 beroep ingesteld. In het rapport van 11 januari 2009 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Eken hierop gereageerd. Hangende het beroep heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 23 oktober 2009 een rapport uitgebracht.


1.5.

De rechtbank heeft psychiater J. Rübsaam (Rübsaam) als deskundige benoemd. Rübsaam heeft op 15 juli 2010 een rapport uitgebracht, waarin hij heeft overwogen dat een systematische anamnese niet was af te nemen, omdat betrokkene op de gestelde vragen geen antwoord gaf. Hij heeft geconcludeerd dat betrokkene niet goed te onderzoeken is waardoor geen diagnostische conclusies getrokken kunnen worden en dus ook geen oordeel over de opgestelde FML mogelijk is.


1.6.

In een rapport van 20 augustus 2010 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Eken gereageerd op het rapport van Rübsaam en gesuggereerd om alsnog prof. dr. G.F. Koerselman (Koerselman), psychiater, als onafhankelijk deskundige te benoemen.


1.7.

Vervolgens heeft de rechtbank Koerselman als deskundige benoemd. In een rapport van 23 november 2010 heeft Koerselman geconcludeerd dat communicatie met betrokkene niet mogelijk is en dat betrokkene afwijkend gedrag vertoont dat zowel niet voor een ernstige psychiatrische stoornis specifiek is, als voor bewuste voorwending van ziekte. Om enig uitsluitsel daarover te kunnen geven, acht Koerselman een klinische observatie onontbeerlijk. Partijen hebben over en weer op het rapport van Koerselman gereageerd.


1.8.

Bij uitspraak van 28 juli 2011 heeft de rechtbank Amsterdam het door betrokkene tegen het besluit van 7 april 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen.


1.9.

In de periode van 17 oktober 2011 tot en met 21 oktober 2011 heeft een klinische observatie in het [naam ziekenhuis] te [plaatsnaam] plaatsgevonden onder leiding van psychiater P.J.H. Notten (Notten). In een tweetal rapporten van 12 december 2011 (waarvan één gericht aan regionaal stafverzekeringsarts Lemmers en één gericht aan verzekeringsarts P.W. van Zalinge) heeft Notten verslag gedaan van de waarnemingen tijdens de observatie.


1.10.

In een rapport van 14 december 2011 heeft verzekeringsarts J.W. van Zadelhoff (Van Zadelhoff), onder verwijzing naar de conclusies van Notten, overwogen dat sprake is van een nagebootste stoornis in psychiatrische zin, waardoor geen sprake is van ziekte of gebrek in het kader van de WAO en er geen beperkingen bestaan ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van betrokkene. Betrokkene wordt per 14 januari 2008 belastbaar geacht conform de op 2 januari 2012 aangepaste FML.


1.11.

In de rapporten van 28 februari 2012 en 1 november 2012 heeft ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep Van Zalinge, na verkregen informatie van psychiater Balraadsjing van

4 oktober 2012 te hebben beoordeeld, de conclusies van Notten onderschreven. Van Zalinge heeft geen reden gezien om beperkingen te stellen met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren van betrokkene.


1.12.

Bij besluit van 4 december 2012 (bestreden besluit 2) heeft appellant het tegen het besluit van 14 november 2007 gerichte bezwaar wederom ongegrond verklaard en onder meer bepaald dat betrokkene met ingang van 14 januari 2008 voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt wordt geacht. Betrokkene heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.


1.13.

Hangende het beroep bij de rechtbank heeft appellant bij besluit van 15 november 2013 (bestreden besluit 3) het bestreden besluit 2 ingetrokken, het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 november 2007 wederom ongegrond verklaard, bepaald dat betrokkene met ingang van 14 januari 2008 recht heeft op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en besloten om niet terug te komen op de feitelijk aan betrokkene uitbetaalde WAO-uitkering over de periode van 14 januari 2008 tot en met 30 november 2013. Hieraan heeft appellant onder meer het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 maart 2012 ten grondslag gelegd.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit 3 heeft de rechtbank gegrond verklaard, dat besluit is vervolgens vernietigd en de rechtbank heeft hierbij geconcludeerd dat het besluit van 14 november 2007 in dit besluit is herroepen, waardoor de vernietiging reeds tot gevolg heeft dat betrokkene met ingang van 14 januari 2008 recht heeft op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


2.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het bestreden besluit 3 op een ontoereikende medische grondslag berust. Notten heeft zich in zijn expertiserapport niet, althans niet gemotiveerd uitgesproken over de psychische gezondheidstoestand van betrokkene op 14 februari (lees: januari) 2008, maar alleen over de psychische gezondheidstoestand van betrokkene ten tijde van zijn onderzoek. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 4 april 2008, ondanks dat hij melding heeft gemaakt van theatraal gedrag van betrokkene, heeft geconcludeerd dat er geen medische redenen bestaan om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts en dat hij de FML van 1 december 2006 en 3 augustus 2007 onderschrijft. Appellant heeft onvoldoende onderbouwd waarom hiervan nu zou moeten worden afgeweken voor zover het de mate van arbeidsongeschiktheid per 14 februari (lees: januari) 2008 betreft.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant (kort samengevat) verwezen naar de rapporten van verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 februari 2015 en 3 juni 2015. Dat sprake is van het simuleren van klachten, ontleent appellant aan de bevindingen van Notten. Uit de beantwoording van de vragen in zijn expertise blijkt dat Notten zich niet beperkt heeft tot een oordeel over de geestelijke gezondheidssituatie van betrokkene in de periode dat de klinische observatie plaatsvond. Gelet op het rapport van Eken van 4 april 2008 bestonden daarnaast destijds al aanwijzingen dat sprake was van inconsistenties, welke eerst met de conclusies van Notten zijn bevestigd.


3.2.

In het verweerschrift heeft betrokkene aangevoerd dat de op het expertiserapport van Notten gebaseerde conclusie dat bij betrokkene per 14 januari 2008 sprake was van een nagebootste stoornis onvoldoende is onderbouwd. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom thans van de in de FML van 1 december 2006/3 augustus 2007 vastgestelde beperkingen zou moeten worden afgeweken. Als de Raad hem daarin niet volgt, verzoekt hij een deskundigenonderzoek.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

Notten heeft in zijn rapport van 12 december 2011 overwogen dat betrokkene ten tijde van de diagnostische opname niet spreekt en het belangrijk is om te onderscheiden welke psychiatrische oorzaak dit afwijkende gedrag zou kunnen hebben. Van mutisme kan volgens Notten onder meer sprake zijn bij cognitieve functiestoornissen, bij schizofrenie of katatonie, bij een ernstig depressief toestandsbeeld of in het kader van een conversiestoornis. Tijdens de observatie waren cognitieve functiestoornissen niet objectiveerbaar, vertoonde betrokkene geen kenmerken van katatonie of schizofrenie en waren er geen symptomen die wezen op een depressie. Ook past de lange duur van het mutisme niet bij een conversiestoornis. Als laatste kunnen de klachten verklaard worden vanuit simulatie. Volgens Notten pleit hiervoor dat betrokkene praat als hij onderzocht wordt door collega Gülsacan, maar nooit als hij door de verzekeringsarts of keurend psychiater wordt gezien. Uit de brief van Gülsacan van 2008, waarin staat dat sprake is van paranoïde waandenkbeelden, hoge lijdensdruk door paranoïde angst en dat sprake was van religieus getinte paranoïde angstcomponenten bij een religieus ingestelde man die zich erg melancholisch suïcidaal kan gedragen, zou je mogen aannemen dat betrokkene dit zelf aan Gülsacan heeft verteld. Notten overweegt dat uit bloedonderzoek bleek dat betrokkene de voorgeschreven medicatie niet voor de opname heeft gebruikt, terwijl hij wel aangeeft dit te slikken. Ten slotte pleit voor simulatie dat bij de diagnostische opname door alle disciplines (verpleging, bewegings- arbeids- en creatieve therapeut, psycholoog als psychiater) geen psychopathologie wordt gevonden.


4.1.2.

Bij de beantwoording van de vragen (in het rapport gericht aan Van Zalinge) geeft Notten aan dat geen sprake is van psychopathologie en hij geen psychiatrisch toestandsbeeld kan weerhouden. Ook merkt Notten bij de beantwoording van de aan hem gestelde vragen op dat betrokkene volgens de familie al heel lang niet praat, maar dat de informatie waarop Gülsacan zijn diagnose baseert en ook de eerdere psychiater betekent dat betrokkene wel informatie met behulp van taal moet hebben gegeven over zijn toestandsbeeld, anders kunnen ze niet weten dat betrokkene achterdochtige denkbeelden heeft, waarbij Notten opmerkt dat men op de afdeling vindt dat er bij betrokkene geen sprake is van achterdocht of wantrouwen. In het rapport gericht aan Lemmers vermeldt Notten bij de beantwoording van de aan hem gestelde vragen dat hij de symptoomvaliditeit van de klachten nu en in het verleden zeer laag vindt en dat zijn inschatting van het psychiatrische toestandsbeeld is dat er sprake is van simulatie. Ten tijde van het onderzoek van de verzekeringsarts presenteert betrokkene zich als mutistisch, reageert niet op vragen of aanspreken en wil de onderzoeker doen geloven dat er sprake is van een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld. Ten tijde van de diagnostische opname kon geen psychiatrisch toestandsbeeld worden weerhouden en was betrokkene niet om medische redenen buiten staat om de verzekeringsarts een volledig en juist beeld te geven van zijn klachten en belemmeringen.


4.1.3.

Notten heeft in zijn rapport gericht aan Van Zalinge verwoord welke informatie hij van appellante voor zijn expertise heeft ontvangen en hij heeft in dit kader ook verwoord dat het gaat om de vaststelling van de belastbaarheid op de datum in geding

14 januari 2008 toen betrokkene werd afgeschat naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De aan hem gestelde vragen, zoals vastgelegd in zijn rapport, zijn dan ook niet alleen gericht op de bevindingen bij het onderzoek, maar ook gericht op het (psychiatrisch) beeld van betrokkene op datum in geding 14 januari 2008. Gelet op de door Notten onder 4.1.1 gegeven conclusies, in onderlinge samenhang bezien met de door hem gegeven antwoorden, in het bijzonder dat de informatie waarop collega psychiaters hun diagnose hebben gebaseerd betekent dat betrokkene wel informatie met behulp van taal moet hebben gegeven, is de Raad met appellant van oordeel dat Notten zich niet enkel heeft uitgelaten over de toestand van betrokkene ten tijde van de klinische observatie.


4.2.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant voldoende heeft onderbouwd waarom voor wat betreft de mate van arbeidsongeschikt van betrokkene per

14 januari 2008, voor wat betreft de psychische beperkingen wordt afgeweken van de FML van 1 december 2006/3 augustus 2007. Hiertoe overweegt de Raad dat verzekeringsarts bezwaar en beroep Eken in zijn rapport van 4 april 2008 reeds betreffende het door betrokkene vertoonde gedrag heeft overwogen dat het geheel van dit gedrag tijdens zijn onderzoek theatraal overkomt. Hij heeft ook overwogen dat het feit dat betrokkene steeds minder gaat ondernemen kennelijk is ontstaan na de afschatting eind 2006, omdat betrokkene met de primaire verzekeringsarts toen wel degelijk heeft gecommuniceerd en betrokkene dit nu weigert. Eken heeft dit gedrag geen gevolg van ziekte of gebrek geacht en het leek hem meer te liggen in het ondersteunen van zijn claim van volledige arbeidsongeschiktheid die na afschatting in het geding is. Eken heeft geen verergering in het medische beeld gezien en heeft verder overwogen dat in het verleden herhaaldelijk wordt beschreven dat er behalve verbale agitatie geen depressieve of psychotische verschijnselen bij betrokkene aanwezig zijn en de stemming en de concentratie normaal zijn. Desondanks worden er in die jaren vergaande conclusies getrokken. Eken heeft ten slotte vastgesteld dat ook in de huidige bezwaarprocedure betrokkene eerder de indruk maakt van een boze en gekrenkte man, die teleurgesteld is in hetgeen zijn leven gebracht heeft en vervallen is in passiviteit, dan van iemand die zwaar gebukt gaat onder paranoïde angst. De Raad volgt appellant in zijn standpunt dat vervolgens met de klinische observatie en het daaropvolgende rapport van Notten uitsluitsel is gegeven over het gedrag en het (psychiatrisch) toestandsbeeld van betrokkene op de datum in geding, te weten dat geen sprake is van psychopathologie.


4.3.

Anders dan de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het bestreden besluit 3 op een toereikende medische grondslag berust. Hetgeen betrokkene heeft aangevoerd in het verweerschrift geeft geen aanleiding tot een ander oordeel over de medische grondslag. Hieruit volgt tevens dat geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.


4.4.

Door haar oordeel is de rechtbank niet toegekomen aan de beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 3. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zijn de aan de schatting uiteindelijk ten grondslag gelegde functies voor betrokkene passend te achten. Met de arbeidskundige rapporten is voldoende gemotiveerd dat de belasting in de functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt.


4.5.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij het bestreden besluit 3 is vernietigd. Het beroep, voor zover gericht tegen dat besluit, dient ongegrond te worden verklaard.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het bestreden besluit 3 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd;
  • - verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 3, ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) G.J. van Gendt



UM